‘Sporters horen een voorbeeldfunctie te hebben.’ Er is geen zin die vaker het sportgebeuren begeleidt dan deze. Niet alleen is het de vraag of deze stelling enige grond heeft (waarom is dat zo?), de kwestie is ook om welk voorbeeld het dan zou moeten gaan (wat is het?) en in welke richting deze voorbeeldfunctie ons moet sturen (hoe is het?). Deze drie vragen vormen de leidraad van mijn betoog.
Laat ik beginnen met het waarom: vanwaar de motivatie dat sporters of toch zeker topsporters een voorbeeldfunctie moeten hebben? Bestaat er een zinnige reden waarom topsporters een stichtend voorbeeld voor de natie moeten zijn en pakweg rockartiesten, schilders of de laureaten van de Koningin Elisabethwedstrijd niet? Zou er een intrinsiek goed argument te vinden zijn om dit te handhaven, alle argumenten van de orde van een petitio principii uitgezonderd – genre: ‘Topsporters moeten een voorbeeldfunctie hebben omdat ze als topsporters een voorbeeld horen te zijn’. Anders gezegd: is er iets inherent aanwezig in sport dat maakt dat ze een uitzondering moet vormen op andere maatschappelijke terreinen en meer morele deugdzaamheid ten toon dient te spreiden?
Dit artikel is exclusief voor abonnees