Home Economie Het ijzeren gezicht van de schuld
Economie Schuld

Het ijzeren gezicht van de schuld

Door René ten Bos op 27 maart 2013

Cover van 04-2013
04-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

Waarom voelt een hypotheekschuld als een morele schuld? René ten Bos vraagt zich af of we alle schulden wel terug moeten betalen.

Schuld is iets wat je aankijkt, stoïcijns en onvermurwbaar als ijzer. Iedere maand als het overzicht van de hypotheek op de deurmat ploft, voel ik de priemende ogen van een ondefinieerbare leermeester en besef ik hoe lang het nog zal duren voordat de aflossing, de verlossing, mijn deel zal zijn. Ik ben aan hem uitgeleverd. Dat wil zeggen: ik moet blijven werken, ik mag niet ziek worden, ik moet presteren.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Maar waarom eigenlijk? Waarom voel ik me zo belast als ik de hypotheek niet kan betalen? Natuurlijk: ik kom er door in de problemen. De bank zal uiteindelijk mijn huis opeisen. Maar verklaart dat ook mijn bezwaarde gemoed? Een hypotheekschuld voelt misschien ook als een morele verplichting, zoals wanneer je geld leent van een vriend en belooft het op tijd terug te betalen. Een dergelijke belofte wil je nakomen. Maar een bank is niet je vriend, en het is maar zeer de vraag of zo’n instelling het beste met je voor heeft – iets waar we de laatste jaren meer en meer over zijn gaan twijfelen. Toch ligt de morele last geheel bij mij. Ik ben de schuldenaar.
 
De Amerikaanse denker Ralph Waldon Emerson (1803-1882) schrijft in zijn essay Nature over het ijzeren gezicht van de schuld. Een schuld zorgt ervoor dat mensen volledig in beslag worden genomen door zaken die eigenlijk niet allesoverheersend zouden mogen zijn: krijg ik het geld wel bij elkaar? Kan ik aantonen dat ik kredietwaardig ben? Hoe zit het met beroepsperspectieven? Omdat het antwoord op deze vragen onzeker is, maakt schuld mismoedig. Maar dat is maar één kant van het verhaal. Want de schuld is ook, aldus Emerson, een strenge leermeester waarvan we de lessen nooit mogen negeren. Wie dat doet, breekt een belofte. We komen dit punt overal tegen in de literatuur over schuld. Ze is, zowel in de private als in de publieke sfeer, de belofte van de ontvanger om binnen een bepaalde tijd een vooraf gespecificeerde som terug te betalen. Die belofte, kun je zeggen, garandeert een bepaalde moraliteit die financiële transacties mogelijk maakt. 

Maar hoe zit het nu precies met de verhouding tussen schuld en moraliteit? In Essai sur le don,  een boek dat vooral over debet en credit gaat, spreekt de Franse etnoloog Marcel Mauss over ‘Germaanse moraliteit’. In de folklore van Noordwest-Europa is de gift altijd gezien als iets giftigs, als iets waaraan een onontkoombare fataliteit kleeft. Waar de gever in aanzien stijgt, wordt de ontvanger omlaag gehaald. In het slothoofdstuk van zijn essay citeert Mauss Emerson: ‘Liefdadigheid verwondt degene die haar ontvangen heeft.’ Volgens Mauss is Emerson een typische representant van de Germaanse traditie. De ontvanger staat in lager moreel aanzien dan de gever. Op dezelfde manier staat de schuldenaar in lager moreel aanzien dan de schuldeiser. Dergelijke verschillen in morele status zijn vaak gebruikt als legitimatie voor macht en onderdrukking, iets waar linkse filosofen – van Marx tot Deleuze of, nog recenter, Lazzarato – altijd al op gewezen hebben. ‘Gij zult uw schulden betalen!’ is wat het ijzeren gezicht van de Germaan de debiteuren steeds weer influistert. Wie de belofte breekt, is een valsspeler of, erger nog, een leugenachtige Griek.  

Uit naam van de Germaanse moraliteit neemt de Duitse bondskanselier Angela Merkel het op voor hardwerkende mensen in mistige moerassen die zich doodergeren aan de profiterende parasieten uit landen met een doorgaans strakblauwe hemel. Denk niet dat die traditie alleen maar Duits is. Ze doordesemt zo’n beetje alle hedendaagse, Noord-Atlantische politiek, maar ook de grote instanties die deze politiek, vaak onder het toeziend oog van de schatkistbewaarder van de Verenigde Staten, moeten helpen uitvoeren: het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank of de Wereldhandelsorganisatie. Steeds weer wordt dezelfde mantra gedebiteerd: wie niet zijn schulden aflost, zal kastijding wachten. In Zuid-Europa kunnen ze er inmiddels van meepraten.
 

Vriend

Maar waarom we door het aflossen van schulden meer morele mensen zouden worden, is mij een raadsel. Natuurlijk kan ik me iets voorstellen bij de gedachte dat ik mijn vriend moet terugbetalen als hij mij, wanneer ik in nood verkeer, geld leent. Onze relatie zou onherstelbaar beschadigd worden als ik verzaak. Adam Smith was zich maar al te goed bewust van de moeilijke vragen die privéschulden oproepen: moet ik mijn vriend ook geld lenen als hij toevallig eens in nood is? En hoeveel moet ik hem lenen? En mag ik wel rente heffen? Het punt hier is dat een privérelatie tussen schuldenaar en schuldeiser zeer zorgvuldige morele deliberatie vereist, waarbij men overigens niet de illusie moet hebben dat zojuist gestelde vragen eenvoudig beantwoord kunnen worden.
Is die zorgvuldigheid ook nodig als het gaat om schulden die geen privékarakter hebben? De belangrijkste reden waarom een privéschuld zo zwaar weegt, is dat de schuldenaar er meestal zelf om gevraagd heeft. De vraag of er geld geleend kan worden, laadt in een privésituatie dus een morele schuld op de schouders van de vraagsteller. De vraag valt hier dus samen met de belofte. Vragen = beloven.

Het wordt echter ingewikkelder als we kijken naar bijvoorbeeld de relaties tussen huizenkopers en hypotheekverschaffers. Natuurlijk hopen laatstgenoemden dat het ijzeren gezicht ook hier zijn verlammende rol gaat spelen zodat de schuldenaren zich netjes aan de regels houden. Maar als we denken aan de geilheid waarmee banken mensen hypotheken hebben aangesmeerd, dan verandert er toch iets in onze opvattingen. We hebben hier in ieder geval het gevoel dat die oeroude Germaanse moraliteit van het ijzeren gezicht misschien wat minder opgeld doet: niet langer lijkt de schuldeiser altijd degene te zijn die het goede aan zijn kant heeft staan.

Het is moeilijk om precies vast te stellen waar het morele omslagpunt ligt: geldleners die geen problemen hebben om hun schulden te betalen (men spreekt in Amerika van prime borrowers) hoeven doorgaans niet op onze morele consideratie te rekenen en houden wij een ijzeren gezicht voor. Maar met geldleners die wel moeite hebben om dat te doen (subprime borrowers) is het een ander verhaal. Plotsklaps beseffen we dat zij er mogelijkerwijs zijn ingetuind. We voelen ons ongemakkelijk bij de het gedrag van de crediteuren. We begrijpen dat de formule crediteur = goed + debiteur = fout, die het eigenlijke hart van de Germaanse moraliteit is, niet zo helder is als we aanvankelijk dachten. Onze consideratie geldt niet langer alleen maar de crediteur. Sterker nog, als er één morele les uit de zogenaamde schuldencrisis is getrokken, dan is het wel dat we het langzamerhand niet meer vanzelfsprekend vinden dat schuldeisers het morele recht aan hun zijde hebben.
 

Staatsschuld

Hoe zit het dan met de staatsschuld? In tijden van oorlog is een staatsschuld altijd acceptabel. Er zijn dan grotere bekommernissen dan de triviale aangelegenheden waar Emerson nog zo hooghartig over kon spreken. We moeten het dus hebben over staatsschuld in vredestijd. Zijn landen die enorm veel schulden in vredestijd hebben opgebouwd verachtelijk? Zijn landen die geen schulden hebben juist prijzenswaardig? Staatsschuld ontstaat op het moment dat de vraag naar publieke uitgaven groter wordt dan het vermogen van de privésector om dit allemaal te betalen. Betekent dit dat we landen als Griekenland of Spanje ons ijzeren gezicht moeten laten zien?

Mijn stelling is dat we met de harde aanpak van Zuid-Europa een privémoraliteit over de afbetaling van schulden extrapoleren naar de internationale politiek. Adam Smith zou zich in zijn graf omdraaien, omdat er volgens hem tussen landen nooit het soort van intimiteit heerst dat er tussen vrienden wel kan zijn. De Amerikaanse econome en politicologe Fonna Forman-Barzilai heeft laten zien dat de morele opvattingen van Smith nabijheid tussen mensen veronderstelt en daarom niet zomaar ‘gekosmopolitiseerd’ mogen worden naar geopolitieke verhoudingen. Wat tussen vrienden geldt – gij zult uw schulden betalen – hoeft daarom nog niet te gelden voor bedrijven, landen of landengemeenschappen. Misschien geldt het oeroude Germaanse dogma al niet meer als we het over hypotheekschulden hebben. Of over wurgcontracten met woekerrentes. Of over zogenaamde aasgierfondsen. Als het over schulden gaat, beginnen we steeds meer te twijfelen aan de morele onverbiddelijkheid van het ijzeren gezicht. Een contract is niet affectief, heeft niets te maken met vriendschap. We nemen bij een contract blijkbaar aan dat de schuldenaar alle last draagt – maar waarom zouden we niet accepteren dat ook een schuldeiser nu eenmaal risico loopt?  
 
Of dat goed of slecht is voor de wereldeconomie weet ik niet. Historisch gezien is er echter niets vreemds aan het standpunt dat ik hier verdedig. Maar al te vaak hebben landen goed begrepen dat het niet afbetalen van schulden hen doorgaans eerder goed dan kwaad doet. In het bejubelde boek Debt. The First 5000 Years beschrijft de Amerikaanse antropoloog David Graeber een aantal voorbeelden. Van Solon, die in 594 voor Christus in het oude Griekenland de schulden van boeren en slaven kwijtschold tot Argentinië, dat in 2002 besloot zijn internationale schulden niet af te betalen en daarvan behoorlijk heeft geprofiteerd – steeds weer is er de ervaring dat wanbetaling veel lucht geeft. Je kunt, nogmaals, de folkloristische moraal uit de moerasgebieden van Noord-Europa niet toepassen op internationale verhoudingen. De verhoudingen tussen goed en kwaad zijn door de schuldencrisis fundamenteel veranderd. We geloven niet langer dat schuld nog onze onfeilbare leermeester is.

De grootste schuldenaar in de wereld is de Verenigde Staten. De schuld van dit land is vele malen groter dan de schuld van alle ontwikkelingslanden samen. Hoewel Amerikaanse politici nooit te beroerd zijn geweest om een Germaanse moraliteit door de wereld te laten varen – iedere schuld impliceert een belofte om terug te betalen – is er helemaal niemand die gelooft dat de Amerikaanse schulden ooit terugbetaald zullen worden. Waarom nemen onze Europese politici dat de Amerikanen niet kwalijk, maar jagen ze met hun ijzeren gezichten minder machtige landen de stuipen op het lijf?