Home Hans Achterhuis: ‘Iedereen kan ernstig ontsporen’

Hans Achterhuis: ‘Iedereen kan ernstig ontsporen’

Door Maarten Meester op 16 september 2008

08-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Zomaar een studente die was gefascineerd door geweld, het gaf haar een kick – Hans Achterhuis schreef een dikke studie over geweld, over de normaliteit ervan. Je moet het niet willen uitbannen, zegt hij. Dat is gevaarlijk. Je moet het leren hanteren.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een man die Umit Erdal heette, sloeg me ongeveer een half uur lang op mijn voetzolen. Terwijl hij dat deed zei hij de hele tijd: ‘Wij maken krijgen hier iedereen aan het praten, denk je dat ons dat met jou niet zou lukken?’ En hij beledigde me voortdurend. Later maakten zij draden vast aan mijn vingers en tenen en joegen elektrische stroom door mijn lichaam. (…)
Na een tijdje haalden ze de draad van mijn vinger en maakten die vast aan mijn oor. Ze gaven onmiddellijk een hoge dosis elektriciteit. Mijn hele lichaam en mijn hoofd schokten verschrikkelijk. Mijn voortanden begonnen te barsten. Mijn beulen hielden dan een spiegel voor mijn gezicht en zeiden: ‘Kijk eens wat er met je mooie groene ogen gebeurt. Zo meteen zul je helemaal niet meer goed kunnen zien. Je zult gek worden. Zie je, je mond begint al te bloeden.’ (…)

‘Omdat het hierom gaat’, antwoordt filosoof Hans Achterhuis droog op de vraag waarom hij bovenstaand verslag van een marteling in zijn boek Met alle geweld heeft opgenomen. ‘Dit is geweld.’ Toen hij in de jaren zeventig in de kerkelijke hulpverlening werkte, kreeg Achterhuis dit soort getuigenissen binnen. Hij heeft ze naar buiten gebracht en werkte er als lid van een Nederlands-Belgische stuurgroep van Amnesty aan mee dat Amnesty International, dat zich tot die tijd had gericht op de ondersteuning van politieke gevangenen, wereldwijd een campagne begon tegen martelen. Een campagne die er mede voor heeft gezorgd dat het aantal martelingen lange tijd afnam.
Nu we het toch over het verleden hebben – in deze tijden van verantwoording afleggen kunnen we er niet omheen: hoe zuiver op de graat was Achterhuis zelf? ‘In de kringen waarin ik verkeerde, discussieerden we eindeloos over de bevrijdingsstrijd van de Derde Wereld. Ik heb ook twee artikelen gepubliceerd waarin ik Mao’s gebruik van geweld afzette tegen Gandhi’s geweldloosheid. Ik schreef: misschien is het in China toch iets beter gegaan dan in India. Toen ik recent die artikelen herlas, schrok ik. Ik dacht toen op dezelfde manier over geweld als Wijnand Duyvendak, om maar iemand te noemen: zuiver instrumenteel. Ik zag geweld als een middel waarmee je een doel – voor mij de bevrijding van de Derde Wereld – kon bereiken.’
Later discussieerde Achterhuis uitgebreid over de vraag of krakers zich met geweld mochten verzetten tegen het gezag. Het verhaal van een studente die een grote spiegelruit van een bank had ingegooid, bracht hem tot inkeer. ‘Ze was van bijzonder goede komaf, totaal niet iemand van wie je dergelijke acties verwacht. Toch deed ze mee. Wat haar verontrustte, en mij daardoor ook, was dat het versplinterende glas haar zo’n kick gaf dat ze zichzelf met moeite in bedwang kon houden. Ze zei: Ik had ook een steen naar het hoofd van een politieagent kunnen gooien.’

De taal van het geweld
Diezelfde fascinatie, dat verlangen naar meer bij wie zich er eenmaal mee heeft ingelaten, kwam Achterhuis de afgelopen vijf jaar in alle mogelijke vormen tegen. Ondertussen werkte hij aan zijn 750 pagina’s tellende studie naar geweld, die eind oktober in de boekhandel ligt. Zo herkende hij die fascinatie in een onschuldige vorm bij vredesactivisten die alle technische details willen weten van het oorlogsmateriaal waartegen zij protesteren. Hij zag die bij de vrijwilligers die deelnamen aan onderzoeken van de psycholoog Stanley Milgram. Het merendeel van hen toonde zich bereid iemand een mogelijk dodelijke elektrische schok toe te dienen. Hij zag de verleiding van het geweld heel treffend bij een Amerikaanse soldaat die in Vietnam vocht. In eerste instantie weigerde die vanuit een helikopter op ongewapende burgers te schieten. Doe het of je komt voor de krijgsraad, kreeg de soldaat te horen. Met moeite gaf hij zijn verzet op. De eerste keer dat hij de trekker overhaalde, moest hij overgeven. Na een tijdje genoot hij ervan.
Achterhuis: ‘Toen ik aan dit boek begon, dacht ik nog: misschien kan ik als filosoof mooi afbakenen hoe je de wereld beter en geweldloos kunt maken. Ik weet wel dat het er in de echte wereld nooit zo aan toe zal gaan, maar het is aardig dat op te schrijven. Al werkende zag ik in dat het geweld er gewoon is.’ Toch wil hij het niet laten bij de platitude dat agressie nu eenmaal in ieder mens zit. Uit zijn onderzoek blijkt namelijk dat niets gevaarlijker is dan gewenning. ‘In een omgeving waar geweld vanzelfsprekend is, liggen voor ieder mens ernstige ontsporingen op de loer’, zegt hij. Hetzelfde blijkt ook uit de genocides die hij analyseert: ‘Elke genocide vindt plaats als er al een situatie bestaat waarin mensen gewend zijn geraakt aan geweld.’
Je kunt geweld zien als een taal die ieder mens kan leren spreken, zegt Achterhuis. Daarmee sluit hij aan bij de universele grammatica van de taalwetenschapper Noam Chomsky. Die stelt dat de mens de meest uiteenlopende talen kan spreken dankzij een soort universele software in de hersenen. Ook de elementen die nodig zijn om de taal van het geweld te leren, zijn in alle culturen en tijden aanwezig, blijkt uit onderzoek van evolutionair psychologen en antropologen. Achterhuis noemt trots, nadruk op status, beledigen, grotere agressiviteit van mannen, gebruik van wapens.
Leidt die uitkomst niet juist tot gelatenheid, tot de conclusie dat geweld nu eenmaal bij de mens hoort? ‘Nee’, reageert Achterhuis. ‘Ik kan dit misschien het best illustreren met angst voor slangen. Die angst is universeel. Maar dat betekent niet dat ieder mens automatisch bang is voor slangen. Niet de angst voor slangen is aangeboren, maar de neiging om snel te leren er bang voor te zijn. Zo zijn we niet per se gewelddadig, maar kunnen we ons wel gemakkelijk de taal van geweld aanleren, afhankelijk van de situatie waarin we leven.’
Het gaat er volgens Achterhuis om geweld te leren hanteren; te voorkomen dat mensen de taal van het geweld vloeiend leren spreken. Overal waar geweld is mag mannelijke agressiviteit dan een rol spelen, dat wil nog niet zeggen dat mannen per definitie agressief zijn. Cultuur, economische omstandigheden en de kwaliteit van instituties zoals recht en politiek bepalen in sterke mate of ze zich ook agressief zullen gedragen.

Geweld leren hanteren
Geweld weten te hanteren is iets anders dan geweld geheel uitbannen. Wie dat laatste wil, zorgt volgens Achterhuis juist voor meer geweld. Verbied jongetjes dan ook niet op school gewelddadige spelletjes te spelen. Verbied mannen niet agressieve seksuele fantasieën te hebben. Achterhuis: ‘Ik was boos over het pamflet De man, zijn penis en het mes van de schrijfster Kristien Hemmerechts. Ze wil een geweldloze “zuivere” seksualiteit. Goed, we leven in Nederland en België niet in een ideale situatie, maar je kunt als vrouw wel het recht claimen om veilig over straat te gaan. Dan moet je niet ook nog eens invloed willen hebben op wat die man die daar aan de overkant loopt over jou denkt. Hemmerechts wil een utopie. Dat is eveneens gewelddadig.’
Met het woord ‘utopie’ raakt Achterhuis aan een centraal punt in zijn denken: de strijd tegen de utopische verleiding. Bij de strijd tegen geweld speelt die mee. Wie geweld vanuit één oorzaak verklaart, gaat al snel voor de bijl. Je hoeft slechts die ene oorzaak aan te pakken om het geweld voorgoed de wereld uit te helpen. En als dat met geweld moet, dan moet het maar… Mede om te voorkomen dat hij zelf in de utopische val trapt, hanteert Achterhuis zes perspectieven op geweld (zie kader). Hij doet dat in de hoop ‘dat hij de gevaarlijke punten in het landschap waar de bliksem onvermijdelijk een keer zal inslaan, lokaliseert en zo enigszins beveiligt’. Met instemming haalt hij de filosofe Hannah Arendt aan. Zij merkte al op dat je je in gedachten nog zo goed kunt wapenen tegen geweld, maar dat je nooit van tevoren weet hoe je zult handelen in concrete omstandigheden. Achterhuis: ‘Je kunt dan maar beter instituties hebben die je in toom houden.’
Waar Achterhuis eerst Mao vergeleek met Gandhi, vergelijkt hij nu Pol Pot met Nelson Mandela. ‘Beiden kwamen in opstand tegen een onrechtvaardige toestand. Maar terwijl Pol Pot zijn tegenstanders liet uitmoorden zodra hij daartoe in staat was, zorgde Mandela voor democratische instituties die ook aan zijn tegenstanders ruimte gaven. Dat is een bovenmenselijke prestatie, inderdaad. Maar democratie is ook iets bovenmenselijks. Je vraagt aan mensen, aan partijen, om voor een bepaald ideaal te gaan, en tegelijkertijd te erkennen dat ze met een compromis genoegen moeten nemen en dat hun idealen niet algemeen geldig zijn. Toch voorkom je zo geweld.’

Maar dat kan alleen als je conflicten niet negeert, of helemaal uit wilt bannen, zegt Achterhuis, ‘zoals je in de Nederlandse consensuspolitiek helaas te vaak ziet. Juist in de politiek moet het hard tegen hard kunnen gaan. Uit het Milgram-experiment blijkt dat hoe meer openlijke discussie er was tussen de leiders van de experimenten, des te minder de vrijwilligers geneigd waren op hun bevel een mogelijk dodelijke stroomstoot te geven. We moeten dus meer oog krijgen voor de positieve mogelijkheden van conflicten; inzien dat die juist fysiek geweld tegen kunnen gaan. Zolang ze maar op de juiste plaats worden uitgevochten – in de politiek. Arendt zag dat ook al in. Zij schrijft dan ook lovend over mensen als de Amerikaanse president Thomas Jefferson die na de Amerikaanse Revolutie de nodige checks and balances inbouwde.’
Zijn we met die lofzang op de VS niet terug bij het begin van dit verhaal, bij martelingen? Nemen die de laatste jaren niet in aantal toe, mede doordat de Amerikanen de checks and balances omzeilen door in het buitenland te martelen? ‘Ik was hevig geschokt toen ik daarover hoorde’, antwoordt Achterhuis. ‘Later dacht ik: het is logisch. In dit soort situaties vinden onherroepelijk ontsporingen plaats, daar moet de Amerikaanse regering dus van bovenaf op gaan zitten. Ze moet niet gaan relativeren, bijvoorbeeld zeggen dat waterboarding geen marteling is. Bij die methode krijgt de gemartelde een lap over zijn gezicht en vervolgens wordt er water over hem heen gegoten, zodat hij zich voelt alsof hij verdrinkt. Geweldloosheid moet in dit geval echt van bovenaf worden afgedwongen, dus door de regering. In een detentiecentrum waar dit soort praktijken geaccepteerd zijn, is het voor een ondervrager wel erg moeilijk om niet de taal van geweld te gebruiken.’

Hans Achterhuis was hoogleraar algemene wijsbegeerte aan de universiteit Twente. Centraal in zijn oeuvre staat maatschappijkritiek. In 1967 promoveerde hij op Camus. De moed om mens te zijn. Hij schreef onder meer Filosofen van de derde wereld (1975); De markt van welzijn en geluk (1979), waarin hij stelt dat welzijnswerk op grote schaal onwelzijn produceert; en De erfenis van de utopie (1998) over de keerzijde van utopisch denken. Dit jaar verschijnt zijn nieuwste boek Met alle geweld.

Met alle geweld, door Hans Achterhuis, uitg. Lemniscaat, Rotterdam 2008 (eind oktober), 750 blz., € 59,95