Home Grappen, welsprekende stiltes en openheid

Grappen, welsprekende stiltes en openheid

Door The Economist / Vertaling Rijk Schipper op 26 februari 2013

03-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

Sinds Plato en Cicero zijn de regels voor het goede gesprek nauwelijks veranderd. Wees charmant, hoffelijk en vergeet vooral niet om je in de ideeën van je gespreksgenoot te verdiepen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


De filosoof Isaiah Berlin behoorde mogelijk tot de grootste conversatiekunstenaars die ooit hebben geleefd. Volgens Robert Darnton, een historicus in Princeton, wekte hij bij zijn vrienden de indruk ‘dat hij een trapezeartiest was, die door elk denkbaar onderwerp heen zweefde, die rekte, spartelde en aan zijn enkels hing, en dat alles zonder de showman te hoeven spelen’. Darnton meende dat Berlins enige evenknie van niet al te lang geleden Denis Diderot zou kunnen zijn, een achttiende-eeuwse filosoof uit de Franse Verlichting. Een bericht noemt Diderots conversatie ‘levendig dankzij volkomen oprechtheid, verfijnd zonder duister te zijn, afwisselend van vorm, vruchtbaar aan ideeën en in staat om ideeën in anderen te verwekken. Men liet zich daardoor steeds weer urenlang meeslepen, alsof men naar beneden gleed door een frisse, heldere rivier, waarvan de oevers waren getooid met rijke landgoederen en mooie huizen.’

Ook Churchill was een geweldig spreker, misschien wel de grootste van de twintigste eeuw, maar vaak een slecht luisteraar. Virginia Woolf had, in de woorden van een biograaf, een talent voor ‘schitterende prestaties in de conversatie, waarbij zij de meest fantastische verzinsels uit haar mouw schudde. Iedereen hing aan haar lippen en scheen te applaudisseren.’
 

Handboeken

Grote gevatheid, een fantastisch geheugen en snel denken zijn duidelijk van grote waarde om een conversatie op dit duizelingwekkende niveau te kunnen voeren. Ook charme kan van dienst zijn – hoewel Samuel Johnson, een van de meest bewonderde conversatiekunstenaars van de achttiende eeuw in Engeland, het prima zonder leek te kunnen stellen. Voor wie minder getalenteerd is, maar hecht aan conversatie als een van de geneugten en noodzakelijke vaardigheden van het leven, zijn er genoeg handboeken en advieslijstjes in omloop. Die gaan al zo’n 500 jaar terug en vormen de erfenis van een wijsheid met een nog langere voorgeschiedenis. Het is opmerkelijk hoe consistent de geboden raad door de tijd heen is gebleven, wat doet vermoeden dat er in de conversatie werkelijk goede en foute gedragingen zijn en niet alleen maar plaatsgebonden conventies.

Het beginsel dat het onbeleefd is om een ander in de rede te vallen gaat op z’n minst terug tot Cicero, die in 44 v.Chr. al schreef dat een goede conversatie ‘toerbeurten’ van de deelnemers vereist. In zijn essay Over de plichten merkte hij op dat naar zijn weten nog nooit iemand regels had opgesteld voor de gewone conversatie, terwijl velen dat al hadden gedaan voor spreken in het openbaar. Hij maakte zelf een begin en kwam uit op een opsomming die sindsdien voor schrijvers van adviesboeken maatgevend is geweest. Cicero leert ons de volgende regels: spreek duidelijk; spreek vlot maar niet al te zeer, vooral wanneer anderen ook aan de beurt willen komen; val anderen niet in de rede; wees hoffelijk; behandel ernstige zaken ernstig en de lichtere lichtvoetig; bekritiseer mensen nooit achter hun rug; beperk je tot onderwerpen van algemeen belang; spreek niet over jezelf; en verlies vooral nooit je goede humeur.

Waarschijnlijk ontbraken er maar twee hoofdregels aan Cicero’s lijst: onthoud de namen van mensen en wees een goed luisteraar. De stamboom van deze beide raadgevingen gaat eveneens ver terug. Het punt van namen onthouden zou je desgewenst kunnen terugvoeren op Plato. Beide raadgevingen vonden een overtuigende hedendaagse voorstander in Dale Carnegie, die spreken in het openbaar onderwees. In 1936 besloot hij dat de Amerikanen een bredere opleiding moesten krijgen in ‘de verfijnde kunst om vooruit te komen’. Zijn boek Hoe maak je vrienden en krijg je invloed op mensen? wordt na zeventig jaar nog altijd herdrukt; 15 miljoen exemplaren zijn ervan verkocht. Namen onthouden en goed luisteren zijn voor Carnegie twee van de ‘zes manieren om ervoor te zorgen dat mensen jou aardig vinden’. De andere zijn: oprechte belangstelling tonen voor andere mensen, glimlachen, spreken met het oog op het belang van de ander, en de ander het gevoel geven dat hij of zij belangrijk is.

Cicero’s regels voor de conversatie lijken min of meer gebruikelijk te zijn geweest door de culturen en tijden heen, hoewel de striktheid ervan varieerde. Men mag wel zeggen dat bijvoorbeeld de Italianen beter uit de voeten kunnen met onderbrekingen, Amerikanen met tegenspraak en Engelsen met vormelijkheid. Deze regels voor conversatie hebben ook raakvlakken met die voor beleefdheid in meer algemene zin, zoals die zijn opgesteld door twee Amerikaanse taalkundigen, Penelope Brown en Steven Levinson, voorvechters van een ‘beleefdheidstheorie’.
 
Het model van Brown en Levinson zegt grofweg het volgende. Persoon A wil waarschijnlijk niet onbeleefd zijn tegen persoon B, maar in de praktijk van het leven kan het nodig zijn dat persoon A persoon B tegenspreekt of zich aan hem opdringt. In dat geval heeft persoon A een reeks ‘beleefdheidsstrategieën’ tot zijn beschikking. De vier belangrijkste mogelijkheden zijn de volgende, in toenemende mate van beleefdheid. De eerste is de ‘kale, onopgesmukte’ benadering: ‘Ik ga het raam dichtdoen.’ De tweede bestaat uit positieve beleefdheid, ofwel een blijk van respect: ‘Ik ga het raam dichtdoen, is dat in orde?’ De derde bestaat uit negatieve beleefdheid, die veronderstelt dat het verzoek opdringerig of onaangenaam zal worden gevonden: ‘Pardon dat ik u moet storen, maar ik wil het raam dichtdoen.’ De vierde behelst een indirecte strategie, die helemaal niet aanstuurt op enige actie: ‘Tjonge, wat is het hier koud.’

De eerste drie van deze opties laten instrumenteel taalgebruik zien, zonder omwegen. Dat zijn de benaderingen waartegen de handboeken voor conversatie waarschuwen. Alleen de vierde optie brengt je op het terrein van de conversatie als zodanig. Hier is het niet zozeer de bedoeling iets voor elkaar te krijgen als wel te weten te komen wat anderen ervan vinden. Dit principe van samenwerking is een van de opzichten waarin conversatie verschilt van ogenschijnlijk gelijksoortige activiteiten als lezingen, debatten, betogen en vergaderingen. Ook de volgende eigenschappen helpen ons om de aard van de conversatie nader te omschrijven: gelijke verdeling van spreektijd, wederzijds respect tussen de sprekers, spontaniteit en informaliteit, en een niet-zakelijke omgeving. Dat laatste besefte Johnson zeer goed toen hij conversatie als volgt definieerde: ‘Spreken over datgene wat de doelen van het concrete zakendoen overstijgt.’
 

Small talk

Wanneer conversatie en beleefdheid inderdaad door de tijden en culturen heen gemeenschappelijke kenmerken vertonen, hoeft het niet te verbazen dat de meer recente handboeken weinig toe te voegen hebben als het om fundamentele beginselen gaat. Toch kunnen ze specifieke tips geven die onder de juiste omstandigheden van waarde kunnen zijn, en ook deze veranderen door de jaren heen maar weinig. ‘Doe nooit verslag van je dromen in het openbaar’, schreef de anonieme auteur van Maximes de la Bienséance en la Conversation, een van de eerste handboeken voor conversatie die in Frankrijk werden gepubliceerd (1618). Margaret Shepherd, de auteur van het handboek De kunst van de beschaafde conversatie, dat in 2006 in Amerika werd uitgegeven, vaardigt hetzelfde verbod uit. Tot de smakeloze opmerkingen (‘saboteurs van de small talk’) rekent zij zelfingenomen uitweidingen als: ‘Ik had zo’n vreemde droom… Jij kwam erin voor. Eh… laat ik eens proberen me hem te herinneren.’

Hoe moderner het handboek voor conversatie is, hoe concreter het advies zal zijn. Shepherd wijst op zeven snelle manieren om te zien of je je luisteraars niet verveelt, waaronder: ‘Spreek nooit langer dan vier minuten aan één stuk door’, en: ‘Als je de enige bent die nog een vol bord heeft, houd dan op met spreken.’ Haar checklist met dingen die je beter niet kunt zeggen tegen ouders van pasgeboren kinderen verdient het uit het hoofd te worden geleerd voor toekomstig gebruik. Zoals: ‘Wat scheelt er aan zijn neus?’ ‘Hoe komt hij aan die kleur?’ ‘Is hij niet ontzettend klein?’ ‘Moet je hem geen borstvoeding geven?’ ‘Wilde je eigenlijk wel een jongen?’ ‘Is het een lieve baby?’ ‘Hij lijkt op Churchill! Ze lijkt op ET!’ ‘Wat een schatje!’

Het nut van dergelijke tips is gemakkelijk in te zien, maar ze geven geen inzicht in de geneugten van het meesterschap van de conversatie. Voor de aanhangers is conversatie een kunst, een van de grote genoegens van het leven en zelfs de basis van de beschaafde samenleving. Madame de Staël, een groot spreekster en intellectueel uit de tijd van het Franse Ancien Régime, noemde conversatie ‘een middel om elkaar wederzijds en snel te plezieren, om net zo snel te spreken als men denkt, om spontaan plezier te hebben van jezelf, om applaus te krijgen zonder inspanning… Een soort elektriciteit, die vonken door de lucht laat vliegen en die bepaalde mensen verlost van hun overmatige levendigheid en anderen wekt uit hun staat van smartelijke apathie.’
 

Gouden tijdperken

Het Athene van Socrates en Plato, in de vijfde en vierde eeuw voor Christus, wordt vaak gezien als de bakermat van het eerste gouden tijdperk van de conversatie. Die visie is vooral gebaseerd op de geschriften van Plato. Diens dialogen, waarin Socrates vaak als spreker optreedt, vormen ‘een zoektocht onder vrienden […] naar de goddelijke ideeën van het ware, het schone en het goede’, aldus de hedendaagse Franse geleerde Marc Fumaroli.

Het tweede gouden tijdperk van de conversatie, onder de Franse elites van de late zeventiende en de vroege achttiende eeuw, is veel beter gedocumenteerd. Historici verbinden de opkomst van de conversatie in deze tijd met het prestige dat vrouwen genoten in de hogere kringen van Frankrijk. Dit was wellicht een uniek verschijnsel ten opzichte van het Europa van daarvoor en daarna. Vrouwen gaven leiding aan de salons waarin de cultuur van die tijd vorm kreeg; hun aanwezigheid had een beschavende invloed op de mannen die zij uitnodigden. Een andere factor was de vrije tijd die aan de Franse aristocratie werd opgedrongen ten gevolge van de absolute monarchie. Nu hun politieke ambities waren gedwarsboomd, besteedden de hogere klassen hun energie aan vermaak. Wanneer een man de conversatie niet machtig was, kon hij erop rekenen in waarde te dalen, ongeacht zijn overige kwaliteiten. ‘In Engeland kon Newton ermee volstaan de grootste wiskundige van de eeuw te zijn’, schreef Jean d’Alembert, een Franse filosoof en wiskundige, ‘maar in Frankrijk zou men van hem verlangen dat hij ook een aangenaam mens was.’

De conversatie van de Franse salons en feestmalen werd net zo gestileerd als een ballet. De basale vaardigheden waarover men aan tafel moest beschikken dienden het volgende te omvatten: politesse (oprechte goede manieren), esprit (geestigheid), galanterie (hoffelijkheid), complaisance (voorkomendheid), enjouement (opgewektheid) en flatterie. Wanneer de conversatie op dreef raakte, moest men over andere technieken beschikken. Een lacherige stemming vroeg om vertoon van raillerie (speelse plagerigheid), plaisanterie (grappen maken), bons mots (puntige gezegden), traits en pointes (retorische figuren die ‘subtiele, onverwachte wendingen’ inhielden, aldus Benedetta Craveri, die zich met de geschiedenis van deze periode heeft beziggehouden). Later kwam daar nog persiflage (spotten onder het mom van prijzen) bij. Zelfs stiltes moest men zorgvuldig afwegen. Zo onderscheidde de hertog van La Rochefoucauld ‘welsprekende’ stilte van ‘spottende’ en van ‘eerbiedige’ stilte. Het meesterschap van dergelijke ‘houdingen en tonen’ was volgens hem ‘aan weinigen gegeven’.
 
Aan de overkant van het Kanaal leidde de conversatie aan het begin van de achttiende eeuw eveneens een bloeiend bestaan. Maar de reden daarvoor was een andere. Dit was het gouden tijdperk van het Britse koffiehuis. Terwijl de Franse salons het onderwerp politiek uit de beleefde conversatie weerden, was dit een hoofdonderwerp in de Britse koffiehuizen. Buitenlandse bezoekers maakten melding van zowel de reikwijdte van de gesprekken als de vermenging van standen en beroepen. De hedendaagse Duitse filosoof Jürgen Habermas brengt de koffiehuizen in verband met wat hij ‘de opkomst van een publieke ruimte’ noemt, buiten de controle van de staat; wij zouden nu spreken over een ‘burgergemeenschap’.

De Britse liberalen mochten dan gehecht zijn aan vrije meningsuiting, zij hielden zich veel minder dan hun Franse tijdgenoten bezig met de vormen en versieringen ervan. Dr. Johnson genoot zo’n grote faam als spreker dat een tijdgenoot zijn conversatie vergeleek met Titiaans schilderkunst. Toch kon hij ook zwijgen als het graf tijdens een diner dat hem verveelde, of tegenspreken en onderbreken in strijd met elke gangbare etiquette. Zelfs Boswell, zijn toegewijde notulist, stelde bij hem ‘onuitroeibare ruwe manieren’ vast.
 

Pijnlijke stiltes

Johnson was beslist niet de enige Engelsman die een voorliefde voor de conversatie verenigde met de reputatie soms pijnlijke stiltes te laten vallen. Zoals hijzelf zei: ‘Een Fransman moet altijd praten, of hij nu iets van het onderwerp af weet of niet; een Engelsman houdt zijn gemak als hij niets heeft te zeggen.’ In zijn boek Democratie in Amerika verwijst Alexis de Tocqueville naar de ‘vreemde onwellevendheid en gereserveerde, zwijgzame aard van de Engelsen’. Maar op Charles Dickens, een andere buitenlandse bezoeker in het Amerika van de negentiende eeuw, maakten juist de Amerikanen een zwijgzame indruk. Dit schreef hij toe aan hun ‘liefde voor handel’, die de interesses van de mensen beperkte en hen huiverig maakte om vrijwillig informatie te geven, uit angst dat een concurrent daarmee zijn voordeel zou doen. Tot in de twintigste eeuw bleef het idealiseren van het zwijgen in de Amerikaanse cultuur in zwang: denk aan de laconieke helden in westerns, of aan die in Hemingways romans.

Meer recent waren het niet zozeer handel en zwijgzaamheid die de kwaliteit van de conversatie leken te bedreigen als wel de afleidingen van de technologie. In 1946 klaagde George Orwell dat ‘in veel Engelse huizen de radio letterlijk nooit wordt uitgezet. Dit doet men met een vooropgezette bedoeling. De muziek belet de conversatie serieus of zelfs maar samenhangend te worden.’ Toen de televisie twee decennia later gemeengoed werd, kreeg zij dezelfde soort commentaren te verduren.

In 2006 publiceerde een Amerikaanse essayist, Stephen Miller, een boek met de titel: Conversatie: een geschiedenis van een kunst in verval. Daarin sprak hij zijn zorg uit dat ‘noch digitale muziekspelers, noch computers zijn uitgevonden om mensen te helpen echte conversatie te vermijden, maar dat ze wel dat effect hebben’. Een recensent van Millers boek vond het ‘treffend’ dat vroegere generaties ‘net zo spraken over conversatie als een manier om plezier te hebben als een hedendaagse Amerikaan zou spreken over een avond die hij had doorgebracht met surfen op internet’.
 
Conversatie heeft wel zwaardere beproevingen doorstaan (Johnson dacht dat een terugkeer van religieuze ijver het einde ervan zou betekenen), en zal die ongetwijfeld nog vaker doorstaan. Voor het bewijs dat zij nog steeds bloeit hoef je maar een hip restaurant in New York binnen te gaan, waar het geluidsniveau oorverdovend zal zijn. Of ga een boekwinkel van Barnes & Noble of Borders binnen en bekijk de planken vol handboeken ter verbetering van de conversatie. De meeste daarvan richten zich op mensen die overtuigender en innemender willen spreken, om zodoende vooruit te komen in hun carrière, en niet op mensen die conversatie alleen maar aangaan voor het plezier dat deze verschaft. Toch sluiten deze motieven elkaar niet uit. Vrienden maken en mensen beïnvloeden, om het in de woorden van Dale Carnegie te zeggen, komen uiteindelijk op ongeveer hetzelfde neer. Beide vereisen charme, hoffelijkheid en de wens om de ideeën en opvattingen van anderen te begrijpen. Wat ook het strategische doel mag zijn, deze tactieken kunnen nooit kwaad.