Home Gereedschap voor nieuwsgierigheid

Gereedschap voor nieuwsgierigheid

Door Ike Kamphof op 22 maart 2017

Cover van 01-2017
01-2017 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Toen Ike Kamphof ging samenleven met drie kippen werd haar eigen lichaam gereedschap in het denken over mens-dierrelaties. Aan de hand van haar ervaringen bespreekt zij hoe lichamelijke resonantie vorm krijgt tussen mens en kip. Het ontwikkelen van nieuwsgierigheid speelt daarbij een belangrijke rol.

Sinds anderhalf jaar wonen in onze tuin drie kippen. Het zijn levendige dieren. Ik kijk naar hun bewegingen en luister naar hun fluiten, koeren en kakelen, in een poging te vatten hoe zij de wereld beleven. De verkenning is wederzijds. Meer dan eens zie ik hen mijn gedrag opnemen, en hoor ik hun murmelend commentaar. Nieuwsgierigheid, stelt Donna Haraway in When Species Meet, is ‘one of the first obligations and deepest pleasures of worldly companion species’ (2008: 7). Het uitgangspunt van Haraways denken over mens-dierrelaties is dat we op aarde leven als gezelsoorten. Door elkaar te voeden en te besmetten, elkaar te zien, te ruiken en te denken, door elkaar uit te roeien, te gebruiken of samen te werken, zijn we in elkaar verstrikt. Een dominante stroom van menselijk denken die dierenleven reduceerde tot diergedrag dat mechanisch-causaal kan worden verklaard, leidde ertoe dat dieren onzichtbaar werden als wezens die hun bestaan op hun eigen manier beleven en actief mee organiseren. Culturele ontkenning van dieren als actieve subjecten ging gepaard met het letterlijk onzichtbaar worden van veel dieren door verdrijving of uitroeiing, of door opsluiting in de megaschuren van de bio-industrie. Opnieuw zien, door Haraway afgeleid van het Latijnse woord re-specere, is een stap naar hernieuwd respect in de interacties van gezelsoorten (2008: 19).

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Hoe ontwikkelen we nieuwsgierigheid? Ian Hacking wijst erop dat in andere historische perioden, waarin mensen hun natuurlijke omgeving deelden met verschillende diersoorten, een vanzelfsprekende vertrouwdheid bestond met dieren. Hij leidt dit onder meer af uit de evidentie waarmee denkers als Hume, Darwin en de naturalisten van de achttiende en negentiende eeuw spreken over de emoties en rationaliteit van dieren, daarbij verwijzend naar eigen ervaringen. Hacking stelt die vertrouwdheid voor als een lichamelijk gevoelde sympathetic resonance met een breed scala aan intenties en emoties van dieren (2001: 701). Een beroep op het lichaam van de onderzoeker als geëigend middel om de leefwereld van niet menselijke dieren te verkennen, weerklinkt in veel recente geesteswetenschappelijke literatuur over mens-dierrelaties (Painter 2007; Haraway 2008; Smith en Mitchell 2012; Lestel e.a. 2014; Despret 2016). Daarbij wordt benadrukt dat kennis van andere dieren niet alleen wordt verworven in het laboratorium, maar ook in veldwerk en in dagelijkse praktijken, professionele of private, waarin menselijke en niet-menselijke dieren met elkaar in contact staan.

In dit essay sluit ik aan bij deze tendens in het onderzoek naar mens-dierrelaties en stel ik de vraag hoe lichamelijke resonantie vorm
krijgt in het dagelijkse leven met drie kippen. Op basis van mijn ervaringen in hun gezelschap, hier gepresenteerd in een aantal anekdotes en observaties, articuleer ik in samenspraak met relevante literatuur, drie instrumenten die ons menselijk lichaam herbergt: ritmegevoel, mimesis en wederzijdse articulatie (Van Manen 2014). Ze bieden een eerste schets van een praktisch fenomenologisch gereedschap die meer concrete invulling geeft aan een vaak tamelijk vaag beroep op intuïtie of empathie in de bestaande literatuur. 
 

Dynamiek

In Nederland leven ruim honderd miljoen kippen, zes voor elk mens (CBS 2016). Wereldwijd zijn dat er ruim 52 miljard. Terwijl de betekenis van hun vlees toeneemt voor de verstedelijkende menselijke cultuur, kennen we kippen steeds minder als wezens die op een eigen manier uitdrukking geven aan hun bestaan (Lawler 2015). Dat laatste gold zeker voor mij en blijkt uit een scène die ik in de eerste week van ons gezamenlijke bestaan optekende. De kippen waren toen nog kuikens die voor warmte en veiligheid ‘s nachts in een doos in de huiskamer sliepen. Overdag liepen ze in een afgeschermde hoek van het terras. 

Voor de tweede avond op een rij staan de kuikens in een hoekje van hun ren hard te piepen. Het is lekker lang licht en wij zijn volop in de tuin bezig. Ik geef ze wat meel uit mijn hand, maar dat leidt ze maar kort af. Hebben ze het koud? Klopt het dat ik ze naar binnen zag kijken, waar hun doos staat? Wanneer ik ze probeer op te pakken, schieten ze weg. Om even later weer te staan roepen.

Ik heb moeten leren welk dringend belang het heeft voor kippen om op een specifiek tijdstip, aangegeven door hun lichaam, te gaan slapen. Daarbij hielp het weinig om op de klok te kijken, noch om te beoordelen hoe schemerig het mij buiten leek. Kippenogen zijn gevoeliger voor ultraviolet licht dan die van mensen en zien dus anders. De menselijke mechanische tijd vertelt weinig over hun bioritme. Zolang ze als kuikens afhankelijk van mij waren om hun slaapplaats te bereiken, moest ik leren te luisteren naar hun lichaam, naar het vertragen van hun tempo, naar hun gewoonte om nog een laatste keer samen hun veren te poetsen, om taferelen zoals hierboven beschreven te voorkomen.

In Eléments de rhythmanalyse (1992) beschrijft Henri Lefebvre ritmegevoel als een middel om het dagelijks leven van binnenuit te verkennen, zoals het wordt geleefd in dynamische relaties. Lichamen vormen contactpunten tussen verschillende sociale en biologische ritmes. Getekend door eigen frequenties en voorkeuren fungeert het lichaam van de onderzoeker als instrument om dingen en andere lichamen om zich heen af te tasten door hun ritmes in zich te laten resoneren. Hoewel Lefebvre zich richt op de sociale economie van het menselijke stadsleven, leent ritme-analyse zich goed voor het verkennen van dagelijkse interacties tussen gezelsoorten.

Ritmes grijpen in elkaar. Onze kuikens zijn binnen een jaar volwassen geworden. Dat is sneller dan de buurkinderen die er een sport van maken om mij voor te zijn bij het rapen van eitjes, maar trager dan de tuinplanten die – na afgepikt te zijn – gelukkig blijven aangroeien. De kwaliteit van het samengaan van ritmes (polyritmiek) drukt zich volgens Lefebvre uit in gevoelde harmonie (euritmie) of dissonantie (aritmie). Daarmee is ritme-analyse tegelijk een instrument voor het afwegen van relaties. Dagelijks voedsel voorzien en ontvangen, gewoontegetrouwe momenten voor spelen en bewegen zijn bekende rituelen tussen mensen en dieren die een leven delen. Ze structureren levens in gezelschap als min of meer succesvol gedeeld. Het aanvoelen van elkaars ritmes schept vertrouwdheid, inspelen op ritmes van de ander geeft gezamenlijkheid actief vorm.

In het gezelschap van onze kippen wordt goed inspelen gehinderd doordat mijn slaapwaakritmes en werkzaamheden worden georganiseerd door de klok, terwijl zij bewegen op biologische ritmes. Bijgevolg lopen zij op zomerochtenden te wachten op verzorging en in de winter zijn ze al op stok wanneer ik kom opruimen en de roofdierveilige ren sluiten. Interessant is dat de kippen deels met onze dissonantie en mijn, voor hen, nachtelijk bezoek hebben leren leven. Reageerden ze eerst geschrokken, nu hoor ik uit het donker zacht bevestigend getokkel – ‘daar ben je’ – terwijl ik goedenacht mompel. Zo vormde zich tussen ons een sociaal ritueel dat de aritmie afdekt en een zekere harmonie herstelt. 

Ritmegevoel opent menselijke lichamen voor de leefpatronen van andere dieren. Ook mijn kippen worden niet alleen bepaald door ritmes, maar reageren actief op ritmes die hen niet uit zichzelf vertrouwd zijn. Inspelen op elkaars ritmes vormt een gelaagde, gezamenlijke melodie, waarin dissonanties kunnen worden opgenomen. Lichamelijke resonantie tussen mensen en dieren beperkt zich echter niet tot het aanvoelen van en antwoorden op patronen. Hoe krijgt resonantie vorm ten overstaan van afzonderlijke gedragingen? Gebaseerd op zelfobservatie, en dus noodzakelijk beperkt tot een menselijke waarnemer, bespreek ik hieronder het vermogen om andere dieren mimetisch waar te nemen.
 

Kuikengepiep

Toen wij onze kippen ophaalden en naar huis terugkeerden met op de achterbank van de auto een doos met drie kuikens, vulde de ruimte zich met aanhoudend snerpend getjirp. Thuisgekomen zetten we de doos voorzichtig in de huiskamer en openden het deksel. Het tjirpen ging door. We lieten de kuikens een poosje met rust toen plots hun toon veranderde. Ze piepten nu zachter en meer tegen elkaar dan naar een onbekend buiten. ‘Ze zijn aan het settelen’, zei ik opgelucht. ‘Hoe weet je dat?’, reageerde een vriend prompt. De vraag verraste me. De stemmingsverandering in het kuikengepiep was voor mij evident; ik bewoog innerlijk mee van opwinding naar een vorm van rust.

Mensen en andere dieren delen hun bestaan als belichaamde subjecten in een wereld. Hoe zij de wereld precies waarnemen en beleven verschilt. Dat belet niet dat in de omgang met de omgeving – die we gezamenlijk bewonen – de betekenis van het gedrag van andere levende wezens tot op grote hoogte manifest is in hun lichamelijke activiteit (Painter 2007; Lester e.a. 2014). Ik zie de kippen reikhalzen naar de laatste bessen aan de struik. Ik hoor ze ruziën of kleine genoegens uitwisselen wanneer ze onder de herfstbladeren onverwacht veel insecten ontdekken. Ik voel de spanning en ontspanning in hun lijven wanneer ik ze oppak. In die waarnemingen – visueel, auditief en haptisch – zijn hun strevingen en verwachtingen, hun agitaties en plezier voor mij onmiddellijk duidelijk. Waar Hacking (2001) die herkenning aanduidt als ‘sympathie,’ spreken anderen, zoals Shapiro (1990), eerder over kinesthetische ‘empathie’. Beiden stellen deze vorm van resonantie voor als een proces waarin het waargenomene in het lichaam van de waarnemer wordt geactiveerd, in een innerlijke imitatie.

De mimetische herkenning van de betekenis van gedrag van andere dieren, hoe direct deze vaak is, vindt echter plaats tussen wezens van wie het lichaamsschema verschilt. Kippen hebben veren, een snavel en vleugels die ik als zoogdier niet heb. Niettemin kan ik aanvoelen hoe het zou kunnen zijn om bijvoorbeeld mijn veren te schudden. Elisabeth Behnke (1997) beschrijft hoe ik als belichaamd subject toegang heb tot een innerlijke horizon van bewegingsmogelijkheden, waarvan ik de betekenis met mijn lichaamsgevoel kan aftasten zonder dat ik bewegingen letterlijk uitvoer. Zo kan ik kinesthetisch onderscheid maken tussen ja knikken, nee schudden en het draaien van cirkeltjes met mijn neus (Behnke 1997: 187). Kijkend naar bewegingen van mijn kippen wordt die door Behnke genoemde horizon aangesproken. Tegelijk wordt die uitgebreid naar mogelijkheden die strikt genomen niet tot mijn lichaam behoren, maar die ik me deels kinesthetisch eigen kan maken, zonder dat ik ze fysiek kan voltrekken.

Innerlijk aftasten van gebaren gebeurt niet in de eerste plaats door een ego dat in mijn hoofd zetelt en zich positioneert tegenover een waargenomen object. Het geschiedt vooral door een beweeglijke aandacht die in mijn lichaam is verspreid en die affectief en kinesthetisch openstaat naar de omringende wereld. Zo voel ik de typische manier waarop een kip haar poten neerzet, waarbij ze haar tenen kromt en uitvouwt, in mijn voetzolen die net als kippentenen fungeren als contactpunt tussen lichaam en grond. Maar ik voel deze ook in mijn hand, het enige lichaamsdeel waarmee ik de beweging van lange tenen kan aanvoelen als een meer plooibare voeling met de grond dan mijn voeten kennen. Lichamelijke resonantie als mimesis is dus geen projectie van het eigene op het andere. Het is een exploratieve openheid die de waargenomen ander aftast, door diens gebaren in het eigen lichaam te bewonen in een tactiel ‘alsof’.

Observatie cultiveert die tactiele verbeelding. Door naar onze kippen te kijken, ben ik innerlijk vertrouwder geworden met subtiele verschillen in hun optreden, bijvoorbeeld in hoe ze met hun gevoelige snavels naar dingen of naar elkaar pikken: proevend, gulzig, verveeld, corrigerend of teder. Ik voel, wanneer ze dezelfde gebaren naar mij maken, of ze nieuwsgierig zijn naar de stof van mijn kleding, geïrriteerd zijn of een gebaar van vriendschap maken. Hoewel ze uiterlijk weinig van elkaar verschillen, herken ik hen als persoon aan een specifieke manier van doen: Pien, gretig en bereid tot risico’s om iets nieuws te ontdekken; Kaat, assertief kakelend en tegelijk argwanend; Door, de meest beschouwelijke van de drie. Vaak betrap ik haar terwijl ze naar de overvliegende vogels, de buurkonijnen of naar mij staat te kijken. Ik voel hun optreden innerlijk aan als een mogelijke modus van in-de-wereld-zijn.

Verfijnen van het veld van mimetische herkenning helpt om oog te krijgen voor het eigen belichaamd bestaan van dieren en voor hun individualiteit in het vorm geven aan dat bestaan. Tegelijk is het beperkt. Nieuwsgierigheid moet ook gevoelig worden voor de ander voorbij herkenbare betekenissen. Het gaat niet alleen om wie mensen en dieren zijn, maar ook – zoals Vinciane Despret (2016) betoogt – om waar ze in antwoord op elkaar toe in staat worden. Ik zal deze vorm van resonantie bespreken als ‘wederzijdse articulatie’. 
 

Kippen met een mens

Op een wintermiddag liet ik de kippen in de huiskamer. In de zomer wandelden ze vaker binnen om wat aan mijn papieren te pikken of om gezamenlijk hun veren te komen doen. Tot hun genoegen ontdekten ze dit keer een aangenaam plekje tussen mijn rug en de verwarming. Zo werkte ik een half uurtje met drie kippen tegen me aangeklemd, voordat ze weer naar de tuin vertrokken. Tegen de schemering stonden ze opnieuw voor de deur, geagiteerd nu. Bezorgd vroeg ik me af of ze in de huiskamer wilden komen slapen en hoe dat bij mijn huisgenoten zou vallen. Ik pakte wat groente om ze naar hun nachthok buiten te leiden. Ze keken niet naar de peterselie in mijn hand, anders een geliefd hapje, maar renden wel met me mee. Toen zag ik het: hun hok was dichtgewaaid. Ze konden niet op stok en ik schaamde me. Ik had kippen voor me gezien die zintuiglijk genot zochten of die verward waren, maar niet wie aan mijn deur stonden: kippen die mijn hulp kwamen vragen bij een praktisch probleem.

Onderzoek dat zich richt op reacties van dieren in plaats van hun iniatief – zoals zich dat in de twintigste eeuw ontwikkelde – ontneemt dieren de mogelijkheid om te verrassen, aldus Despret (2016: 39). Despret benadrukt dat intersubjectiviteit, of ‘interlichamelijkheid’, zich niet voltrekt tussen wezens met elk een onvervreemdbare identiteit (2016: 17). Lichamen zijn plaatsen van treffen en getroffen worden in transformatie. Ze stelt een andere vorm van onderzoek voor. Daarin ligt de activiteit niet alleen bij een onderzoeker die het onveranderlijke wezen van een passief onderzoeksobject blootlegt, zoals bovenstaande scène een tot op heden onontdekte vaardigheid aan een kip-op-zich zou kunnen aantonen. Onderzoeker en onderzochte worden samen door te antwoorden op elkaars voorstellen tot intersubjectiviteit. Beiden nemen vanuit hun interesse initiatieven om de relatie vorm te geven. Zo werd ik op voorstel van mijn kippen een mens die luisterde naar vragen van kippen. En mijn kippen werden kippen die vragen konden voorleggen.

Een voor de hand liggende route van samen-worden tussen mensen en dieren in gezelschap verloopt via voedsel. De nuances in de taal van het bereiden en delen van voedsel, van het aanbieden, opeisen of afwijzen ervan, zijn niet te onderschatten. Toch vermijd ik dat contact met mijn kippen zich beperkt tot het aandragen van gezonde of lekkere hapjes. Dat is niet eenvoudig omdat kippen smakelijk, gevarieerd eten belangrijk vinden en veel enthousiasme inzetten om mij als bron daarvan te articuleren. Wat interesseert kippen nog meer, vroeg ik mij af, als onderwerp van wederzijdse verkenning?

Kippen zijn, naast eten, bijzonder gesteld op gezelschap. Ondanks vaak heftige conflicten bewegen ze door de tuin in een indrukwekkende synchronie. Verliezen ze elkaar uit het oog, dan zoeken ze elkaar direct op. Ook met mij verkennen ze mogelijkheden voor gezelschap. Wanneer ik zit te werken aan het raam dan komen zij op gezette tijden aan de andere kant van het glas hun veren doen. Zoek ik hen op, dan antwoorden Door en Pien door op mijn been te hippen, dat ik bij wijze van voorstel uitstrek, terwijl Kaat op lichte afstand meedoet. Succes vereist dat ik mijn handen thuishoud. Als zoogdier geloof ik in warmbloedige aanraking – vandaar het uitgestrekte been – en als moderne westerling leerde ik om dieren te willen aaien om genegenheid uit te drukken. De kippen stellen dat laatste niet echt op prijs, hoewel Door soms naar me opschuift en zich laat aanraken om – zo lijkt het – de betekenis van wat voor mij van belang is af te tasten. Met een lichaam als plaats voor kippen leerde ik nabijheid anders te waarderen en de massiviteit te voelen in het stil delen van de ruimte. In deze modus van resonantie articuleren lichamen zich als kippen-met-een-mens en een-mens-met-kippen. 
 

Eigen manier van zijn

Filosofen op zoek naar methodes om andere dieren opnieuw te zien en zichtbaar te maken, schrijven vaak over honden of katten. In deze bijdrage articuleerde ik, op basis van het gezelschap van minder gangbare dieren, drie vormen van lichamelijke resonantie tussen gezelsoorten: ritmegevoel, mimesis en wederzijdse articulatie. Daarmee wil ik aantonen dat het potentiële veld van resonantie groter is dan Hacking (2001) suggereert wanneer hij wijst op het belang van een herkenbaar gezicht bij dieren, waarin mensen gemakkelijk emoties lezen. In de beschreven resonanties speelden gezichten geen sleutelrol, maar wees ik een veel bredere reeks aan van lichamelijk gedrag waarin bedoelingen, belangen en belevingen manifest worden. Daarbij ging het bovendien niet alleen om het verkennen van emoties. Het ging om een gehele fysieke en gevoelsmatige manier van in de wereld zijn van kippen, en ook van mensen, als diersoort en als individu.

Ik pretendeer geen systematisch, noch een volledig beeld te geven van gereedschap dat menselijke lichamen kunnen cultiveren om de leefwereld, en daarin besloten belangen, van andere dieren te verkennen. Ritmegevoel, mimesis en wederzijdse articulatie kunnen elkaar overlappen. Lichamelijke resonantie is bovendien geen garantie voor respect en kan ook tot exploitatie leiden, zoals de wijdverbreide manipulatie van bioritmen van kippen met behulp van artificieel daglicht om hun eierproductie te verhogen. Het cultiveren van lichamelijke resonantie is wel een cruciale stap in het verder ontwikkelen van de aandacht van mensen voor de eigen manier van zijn van andere dieren. Ritmegevoel, mimesis en wederzijdse articulatie wijzen drie aandachtspunten aan voor verder praktisch fenomenologisch onderzoek naar en met kippen – en andere dieren – waarin intersubjectiviteit vorm kan krijgen in wederzijdse relaties van gezelsoorten.