Home Geboren worden, ter wereld komen

Geboren worden, ter wereld komen

Door Jacques de Visscher op 04 november 2014

Geboren worden, ter wereld komen
Cover van 01-2011
01-2011 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Ons bestaan begint met onze geboorte. Zoiets klinkt tautologisch en dit poneren is triviaal, want zo vanzelfsprekend dat we daar niet hoeven over na te denken. Hebben we hiermee nu ook iets concreets over onze geboorte gezegd? Ongetwijfeld, want zonder die geboorte zouden we er niet zijn. Toch even nuanceren en relativeren, want dat ons bestaan onze geboorte vooronderstelt, dat leren we pas ‘later’, enkele jaren na onze geboorte. Bovendien weten we het niet uit onszelf. Dat we geboren zijn, waar en wanneer we geboren zijn en welke naam we van onze ouders hebben meegekregen, dat hebben we van anderen moeten vernemen. Het wordt ons verteld, niet in de zin dat iemand ons schools heeft uitgelegd dat ons bestaan met onze geboorte aanvangt en wat dit allemaal inhoudt. Zoiets is slechts abstract en formeel. Bovendien kunnen we met het woord ‘bestaan’ niets aanvangen, althans niet in onze eerste levensjaren.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een eerste betekenis
Het vatten van betekenissen is een geschenk. Dat geldt ook voor de betekenis van ‘geboren worden’. Een kind ontvangt zo’n geschenk als het hoort dat het binnenkort een broertje of zusje zal krijgen. ‘Er is een baby in mama’s buik,’ verneemt het kind, en later: ‘Straks komt die baby eruit.’ Nog enkele weken later vertelt zo’n kind zelf: ‘Ik heb ook in mama’s buik gezeten. Ik ben er ook uit gekropen.’ Ongeveer op die manier verwoorden vandaag miljoenen kinderen dat zij, kinderen, geboren worden, geboren zijn en een moeder hebben: ‘Ik ben uit mama’s buik gekropen.’

De woorden die kinderen leren gebruiken, blijven een tijd hangen en groeien uit tot een gedachte, tot een eerste begrip van ‘geboren worden’, enigszins zonder echt stil te staan bij een overweging en bij een inzicht dat ook zijzelf ‘geboren zijn’ en dat ‘geboorte’ niet los te maken is van hun concrete bestaan, er zijn als dochter of zoon van een vader en een moeder. Onderkennen wat ‘geboren zijn’ betekent, vergt enige levenservaring. Die vraagt nu niet om een aanwezigheid bij een bevalling of een bezoek aan een verloskundige. Verhalen over de komst van kinderen in de familie, bij buren of klasgenootjes en commentaren op die verhalen zetten aan tot begrijpen.

Aan het inzicht ‘geboren te zijn’ gaat veel vooraf. Bovendien groeit het. Duizend en één verhalen voeden dit begrip, heel ons leven lang. Naargelang onze ervaringen veelvuldig en rijker worden verandert het, hoewel dit inzicht nooit een besef wordt. Zoals we nooit onze eigen dood beseffen, beseffen we ook onze geboorte niet, omdat we het moment van onze geboorte niet kunnen recupereren. Zelfs door gedachte-experimenten komen we nooit tot bij de geboorte, tot net voor en net na de geboorte die alleen de onze is. Altijd is daar die afstand tussen wat we vooronderstellen en de (vage) herinneringen aan onze eerste vormen van bewustzijn, aan datgene waarvan we ons in onze prilste kinderjaren bewust waren – en aan zoiets gaat een onbekende tijd vooraf, waartoe de geboorte behoort. Dit belet niet dat we kunnen beseffen dat onze geboorte een draagwijdte heeft en wat die draagwijdte inhoudt, al gaat het hierbij nooit om een systematisch overzicht, we zijn immers niet transparant voor onszelf. Onze levensloop is een lang verhaal van dit, weliswaar niet altijd gethematiseerde besef. Die levensloop is een brede rivier met vele zijrivieren waarin het besef groeit via betekenissen van gebeurtenissen, gaande van de geboorte van een broertje of zusje tot het aanwezig zijn bij de geboorte van een eigen kind. Betekenissen metamorfoseren feiten zoals ‘geboren worden’ en ze ontvouwen een dynamiek waarvan de oriëntatie en zin onomkeerbaar lijken. Vanuit het besef van betekenissen veranderen we in vele opzichten in de loop van ons bestaan. Geen kind meer, maar een adolescent of een volwassene of zelfs een bejaarde en zelf al grootmoeder of grootvader zullen we andere betekenisassociaties bij ‘geboren worden’ kennen en articuleren, en op het einde van een lang leven zullen we de manier waarop we als kind ‘geboren worden’ formuleerden en begrepen al lang ontgroeid zijn.

Een groeiende rijkdom aan betekenissen
Ook in de groei van onze begrippen, die voor ons bestaan zowel fundamenteel als essentieel zijn, blijven we niet gelijk. Vooreerst is er een groot verschil tussen wat jongens en meisjes, mannen en vrouwen vertellen. Een meisje leert al vlug ‘ik zal later ook een kindje in mijn buik hebben’, terwijl een jongen wellicht nog iets minder weet van wat ouder- schap inhoudt en hij dus nauwelijks weet wat hij zegt als hij beweert dat hij de papa zal zijn van dat kindje in de buik van zijn zusje, van zijn nichtje of van het meisje met de gouden krulletjes dat hij in de kleuterklas heeft leren kennen. Vrouwen voelen het aan den lijve dat zij kinderen het leven kunnen/zullen geven, terwijl vele mannen zich pas bewust worden van hun vaderschap als ze in een wieg in de woonkamer een huilend kind zien liggen en als ze het – met een zucht – tot zich laten doordringen dat ze niet voor een avond of een paar dagen, maar voortaan hun leven met dat wezen zullen moeten delen. Verder verandert de inhoud van de draag- en reikwijdte van de betekenissen van de begrippen naargelang we ouder worden. De in onze levensloop verankerde begrippen vertonen immers een historiciteit. Ervaringen brengen dit met zich mee. Wie, op leeftijd gekomen, meerdere kinderen heeft gebaard, verbindt meer betekenissen aan de notie ‘geboren worden’ dan wie nog voor een eerste zwangerschap staat of dan wie een aantal zwangerschappen heeft afgebroken. En dan zwijgen we nog over de weer andere betekenisassociaties die gynaecologen en vroedvrouwen, psychoanalytici en theologen zich met betrekking tot ‘geboren worden’ hebben eigengemaakt. Een taal analytische vergelijkende studie tegen de achtergrond van de onvermijdelijke pluraliteit van de in hun levensloop ingebedde betekenissen bij zo veel verschillende mensen zou bijzonder interessant zijn en zou ons veel vertellen over dat wereldlijke weefsel waarin we begrijpen wat het betekent dat er een kind geboren is. Deze studie met cultuur antropologische en sociologische implicaties kunnen we hier – helaas – niet bieden. We zijn er echter wel van overtuigd dat zo’n onderzoek onder meer aanleiding kan geven tot de – alweer triviale – conclusie of vaststelling dat ‘geboren worden’ een wereldlijke aangelegenheid is. Heel oorspronkelijk is zo’n uitspraak niet, want eigenlijk kunnen we deze vaststelling alleen maar een bevestiging noemen van datgene wat we bij zo’n onderzoek al dan niet expliciet vooronderstellen.

 

Een wereldlijke aangelegenheid
‘Geboren worden is een wereldlijke aangelegenheid’ blijft een triviale uitspraak, maar is als vooropstelling nooit zo triviaal dat we haar mogen vergeten. Schuiven we haar ter zijde, dan kunnen we zelfs niet aan het hierboven gesuggereerde onderzoek beginnen, dan zien we zelfs het empirisch materiaal niet dat ons zoveel kan vertellen. Sterker nog: zonder de draagwijdte van deze vooropstelling is zelfs geen enkel nataliteitonderzoek mogelijk. Er is nog meer: deze uitspraak is helemaal geen vooronderstelling van geleerden. Met deze uitspraak herformuleren we slechts een synoniem van ‘geboren worden’, want om op een andere manier over iemands geboorte te spreken, zeggen we dat hij of zij ‘ter wereld’ is komen. Dit is een alledaagse, veelgebruikte formulering, zoals ook haar variant ‘het licht zien’. Zolang we ‘ter wereld komen’ niet concreet beschrijven en ook niet thematiseren, maar ons slechts houden aan de notie ‘geboorte’, verhelderen we niet zoveel. Het lukt ons nooit de concrete inhoud van ‘ter wereld komen’ systematisch en volledig in kaart te brengen, maar we lichten al een tip van de sluier op als we even blijven stilstaan bij wat we kunnen zien bij een bezoek aan een gezin waar pas een kind is geboren. De woning heeft een metamorfose ondergaan. De ouders hebben de huisinrichting aangepast en wij, als bezoekers, herkennen aan de herschikking en aan de vele nieuwe huiselijke dingen dat er een kind is (bij) gekomen. We zouden het bedenkelijk vinden indien we geen enkel spoor zouden zien van de nieuwe huisgenoot.

Ook dit is triviaal: aan de dingen herkennen we de mensen en aan de manier waarop we de betekenis van de dingen lezen, krijgen we een ander inzicht in de levenswijze van de mensen met wie we omgaan. Dingen zijn dus oriëntaties. Zij getuigen van ons bestaan, van onze geschiedenis, van wat ons is overkomen en van wat ons te doen staat; ze ver- raden onze projecten. Volstrekt zonder dingen leven is onmogelijk. Zonder dingen zijn we niets. We zouden een absoluut naakt bestaan leiden, wat eigenlijk wil zeggen dat we dan helemaal niet bestaan. Voor een pasgeboren kind dat nog niet met dingen omgaat, is dat niet anders. Al zeggen we dat het ‘naakt geboren’ is, toch verwachten we dat de baby tussen dingen leeft. Juist daarom kleden we hem onmiddellijk aan. Hierbij denken we natuurlijk aan een hemdje, een luier en een muts, maar dat hoeft niet, omdat er zoveel meer is. De omgeving kleedt het kind aan zodra het ‘het licht ziet’. Het is daarbij om het even of het gaat om de verloskamer en de medische instrumenten in de kraaminrichting of om de huis- of slaapkamer van de moeder met alles wat tot die kamer behoort. Steeds heeft die plek een omgeving, en tot die omgeving behoort een geheel van dingen die uit hun aard betekenisvol zijn, omdat ze als getuigen optreden, als zinnebeelden van een wereld die de wereld is van de ouders, van het gezin, van de familie, van de gemeenschap waarvan het kind voortaan deel uitmaakt. Bij iemands bestaan vooronderstellen we een geboorte, maar het is door de dingen goed te lezen dat we zien dat er ergens een kind geboren is. Bovendien gaat het hierbij niet om ‘geboorte’ enerzijds en ‘dingen’ anderzijds. Een ‘geboorte’ op zich kennen we niet; het zelfde geldt voor de dingen: op zich zijn die er ook niet. Dingen, in tegenstelling tot objecten, zijn bezield en vormen een weefsel van verwijzingen. Pas in zo’n bezielend weefsel gedijt een kind. Tegelijk vooronderstellen we dat de wereld waarin het kind geboren wordt er al is. Bijgevolg is het niet fout te zeggen dat bij zijn geboorte het kind met de wereld wordt aangekleed en tegelijk van die wereld wordt doordrongen. Hierdoor wordt het van de wereld, opdat het van de wereld zou zijn en niet alleen maar inde wereld. Het is in dit perspectief dat de wereld het kind als nieuweling onthaalt een plaats geeft en over veel drempels heen haalt – dit door het kind te bekleden met de tekenen van de wereld, tekenen waarvan geen enkel kind, geen enkele mens zich nog ooit kan ontdoen. Zich aan de wereld onttrekken lukt de mens zelfs niet bij het sterven, want ook de gestorvene blijft de tekens van de wereld, van zijn geschiedenis, van zijn levensloop dragen.

Verwachten
Voor de wereld is de pasgeborene een nieuw wezen, een onthaalde gast, eigenlijk iemand die een begin maakt zonder dat hij daar zelf het initiatief voor genomen heeft. Het is met deze nieuweling dat de wereld een begin maakt, wat inhoudt dat met de komst van de nieuweling de wereld verandert, al betreft het de kleine wereld van het gezin waarin de boreling terechtkomt. Daar is niets meer zoals voorheen. Is dat nieuwe nu zo manifest? Het gebeurt een heel enkele keer dat een vrouw haar zwangerschap voor haar omgeving weet verborgen te houden en ‘plotseling’ met een kind voor de dag komt. De ruimere omgeving zal er wel moeite mee hebben te geloven dat niemand in het gezin van ‘iets’ afwist, omdat aan een geboorte veel voorafgaat. De komst van de nieuweling is dan toch weer niet zo nieuw als we zo gemakkelijk aannemen, want we verwachten een komst. We hebben het wel over een zwangerschap, maar hoe vaak gebruiken we niet de zoveel preciezere formulering dat een echtgenote, een collega, een buurvrouw of een zus ‘in verwachting’ is?

Objectief beschouwd en klinisch gesproken behoort de verwachting niet tot de geboorte zelf, niet tot wat artsen een ‘partus’ noemen, de baring of de bevalling. (‘Objectiviteit’ heeft hier de betekenis van ‘gedesincarneerd’ of ‘gedesintegreerd’). Maar iedere arts die de ‘partus’ begeleidt, zal informeren naar of zal op de hoogte zijn van de ‘voorgeschiedenis’, zoals een al dan niet problematische zwangerschap. Een geboorte – het woord ‘baren’ is etymologisch niet toevallig verwant met ‘gebeuren’ als ‘tevoorschijn komen’ – situeert zich in een geschiedenis, in de uiteraard vertelde geschiedenis van de toekomstige moe- der en vader, van het gezin en van de familie waar iets beslissends gebeurt. Niet alleen de moeder, maar ook de omgeving verwacht een kind. Heel wat mensen wachten op die gebeurtenis. Alweer kunnen we het over de wereld hebben, want het is de wereld die verwacht dat het gebeurt en blijft gebeuren, namelijk dat er kinderen komen. Wat kan de wereld voor zijn voortbestaan anders doen dan die hoop niet opgeven? Die wereld is nagenoeg voortdurend op nieuwe geboorten uit. De wereld is immers (ook) dat groot vlechtwerk dat kinderen verwacht, baart, onthaalt, opvangt en een levensloop voor hen uitstippelt. Is dit niet de generositeit van de wereld? Zien we die generositeit niet ook in de wisseling van de seizoenen waarin vooral de lente ons hoop biedt?

Als we nu begrijpen dat de wereld ons bestaan voorziet en, naargelang het nataliteitbeleid van een politiek regime, ook allerlei maatregelen treft voor de nog niet geboren en zelfs nog niet verwekte kinderen, dan moeten we de triviale stelling dat ons bestaan met onze geboorte aanvangt nuanceren. Het is de wereld die aan de basis ligt van ons bestaan, zoals hij ook onze horizon is. Ons bestaan, ook ons persoonlijk bestaan, heeft een voorgeschiedenis die tot de geschiedenis van de wereld behoort. Het blijft natuurlijk juist dat met onze geboorte ons persoonlijk bestaan zijn concrete belichaming krijgt. Er is geen reden om dat te negeren. We worden ‘iemand’. Tegelijk blijft het zo dat de wereld dit verwacht en deze verwachting beschermt, zelfs als iets heiligs. Het gaat om iemand die – hoe weinig we over haar of hem ook nog kunnen zeggen – nooit beantwoordt aan de vraag ‘“Wat” voor iets is er op komst?’ Het gaat over een ‘wie’ iemand zal zijn. Welnu, zo iemand heeft al een geschiedenis – een voorgeschiedenis zeggen we gemakshalve – die hij in zijn levensloop zal onderkennen, verwerken en verder uitbouwen binnen de ook vruchtbare grenzen die de wereld hem gunt, zonder dat dit als een Noodlot op zijn schouders weegt – althans, dat hopen we.

We kennen meer dan één geboorte
Met onze geboorte neemt ons persoonlijk bestaan een aanvang, hoewel we juist door onze wereldlijke voorgeschiedenis van bij die aanvang wortels hebben die al heel diep in voorbije eeuwen hun grillige vertakkingen hebben. Zo naakt is onze geboorte dus niet, ook zijn we geen onbeschreven blad, maar een schatkamer van menselijke mogelijkheden. Juist daarom is onze geboorte een unieke gebeurtenis, waarbij we – bij wijze van spreken – zoveel historische componenten verzamelen, waarbij we een unieke synthese belichamen die we alleen in het concrete van onze levensloop kunnen realiseren en vatten. Bijgevolg kunnen we onmogelijk stellen dat alles wat onze levensloop toont gewoon een uitloper is van die oorspronkelijke synthese in en van onze geboorte, alsof er daarna niets nieuws meer gebeurt. Aangezien ‘geboren worden’ ‘ter wereld komen’ en ‘in de wereld onthaald’ en ook nog ‘van de wereld worden’ betekent, kan die geboorte, waarover we het in het algemeen hebben als de aanvang van ons persoonlijk leven, niet de enige beslissende gebeurtenis in ons bestaan zijn. Een aanvang is geen aanvang als er geen gevolg of geen verder verloop is met nog meer decisieve gebeurtenissen. Ook daarvoor zorgt de wereld, want die wil met ons iets doen, die laat ons niet met rust, die verwacht dat die aan- vang tot ontplooiing komt en in allerlei geschiedenissen uitlopers krijgt.

We begrijpen de uitdrukking dat we maar één keer geboren kunnen worden, maar we begrijpen even goed de zegswijze dat we in
de loop van ons leven meerdere keren herboren worden, dat we niet echt oud en wijs worden zonder een of meerdere wedergeboorten te beleven. Voelen we ons niet herboren bij het herstel na een diepe inzinking of na een lange, hardnekkige ziekteperiode? Sommigen weten zich ‘herboren’ na het verlaten van het ouderlijk huis, na het afsluiten van een studieperiode, in het vinden van een nieuwe baan, in de armen van de man of vrouw ‘van mijn leven’ of bij het ingaan van de pensioentijd. Sommige culturen hebben het over een hergeboorte bij de teraardebestelling – een (her)geboorte die alweer aan de ervaring ontsnapt. We houden ons niet aan één enkele geboorte, we onderkennen in ons bestaan te veel mijlpalen om de notie ‘geboorte’ alleen voor te behouden aan wat tevoorschijn komt bij een baring. Nagenoeg alle culturen onderstrepen dit in de begeleiding van de integratie van de nieuwkomers in het maatschappelijk leven. Allerlei instituten – andermaal vertegenwoordigers van de wereld – verwachten dat we ons bestaan bevestigen als burger, als schoolplichtige, als student, als man of als vrouw, als werknemer of als werkzoekende, als gehuwde, als weduwe of als weduwnaar, enzovoort. Steeds zijn wij als iemand die ‘iets is’, ‘iets uitvoert’ of ‘iets beslissends heeft bereikt’ en telkens ontlenen we aan dit ‘iets’ onze identiteit. We hebben in dit perspectief een meervoudig leven dat op tijd en stond om een metamorfose of ‘hergeboorte’ vraagt.

We zien dit nog sterker uitgebeeld in wat de religies beogen met de initiatierituelen. We hoeven daarom nog niet te kijken naar wat de zogenaamde primitieve beschavingen programmeren om de jongens en meisjes uit hun kinderlijkheid en onvolwassenheid te verlossen. Uit de Europese spiritualiteit kennen we beter het belang van de mythische gebeurtenis van de nieuwe/exemplarische mens met de geboorte van Jezus (die samenvalt met de kosmische hergeboorte van het licht), alsook het belangrijkste christelijke feest van de hergeboorte in de vorm van de Verrijzenis (Pasen) na de kruis- dood. Voor het thema van de hergeboorte beperken we ons hier tot het leergesprek van Jezus van Nazareth met de Schriftgeleerde Nicodémus. Deze hoorde van Jezus dat we pas na een nieuwe geboorte het Koninkrijk van God kunnen ontdekken. ‘Nieuwe geboorte’ is echter voor de farizeeër moeilijk te begrijpen: hoe kan zoiets? Niemand kan toch voor de tweede keer uit de schoot van zijn moeder komen? In zijn antwoord wijkt Jezus niet van zijn standpunt af en zegt dat op de natuurlijke geboorte een geestelijke moet volgen, en hij voegt eraan toe dat hij, Nicodemus, zich daar helemaal niet over dient te verbazen of verwonderen (Joh. 3: 1-10). Hoewel de notie van ‘herboren worden’ vooral tot de religieuze en rituele sfeer behoort – in de grootste christelijke kerken is het sacramenteel leven een cultus van de hergeboorte –, heeft zij in ons taalgebruik en in ons dagelijks leven een plaats gekregen om te evoceren hoe we ten goede veranderen en onszelf vernieuwen. We kunnen ons ons bestaan zonder deze vernieuwingen niet voorstellen. In dit perspectief is onze eerste geboorte inderdaad slechts een aanvang en heeft een eerste geboorte zon- der de daarop volgende (her)geboorten niet veel zin – die geboorte zou dan ook geen ‘ter wereld komen’ kunnen betekenen.

Literatuur

Eliade, M. (1984). Initiaties, riten, geheime genootschappen. Katwijk: Servire.
Heidegger, M. (1998). Zijn en tijd. Nijmegen: sun.
Minkowski, M. (1967). Het menselijk aspect van de kosmos. Utrecht: Bijleveld.
Ricœur, P. (1950): Le volontaire et l’involontaire. Parijs: Aubier-Montaigne.
Visscher, J. De (1999). Naakt geborenOver lijfelijkheid, lijfelijkheid, subjectiviteit en wereldlijkheid. Leende: Damon.