Home Leren filosoferen Filosofie is makkelijker als je denkt: Schoonheid
Leren filosoferen

Filosofie is makkelijker als je denkt: Schoonheid

In 'Filosofie is makkelijker als je denkt' helpen we u in vijf stappen op weg in het zelf leren denken. Deze keer: schoonheid.

Door de redactie op 27 mei 2022

Filosofie is makkelijker als je denkt: Schoonheid Venus van Milo
Cover van 06-2022
06-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

1. Inleiding: ‘Over smaak valt wél te twisten’

De dooddoener dat over smaak niet te twisten valt beneemt je doorgaans alle lust en enthousiasme om wél te laten zien waarom jij denkt dat iets smakeloos is, of juist bijzonder mooi. Gelukkig hebben filosofen zich er niet door laten weerhouden om onder woorden te brengen wat schoonheid nu echt is.

De filosofie die zich met kwesties van smaak bezighoudt wordt ook wel esthetica genoemd, afgeleid van het Griekse aisthesis, dat ‘zintuiglijke waarneming’ betekent. De filosofie van het schone gaat dus niet alleen over kijken, maar ook over proeven, ruiken, voelen en luisteren. Dat is een belangrijk vertrekpunt om vat te krijgen op het schone: als we iets mooi noemen, hebben we het niet alleen over wát we waarnemen, maar vooral over hóé we waarnemen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Deze benadering geeft meteen wapens in handen om een andere veelgehoorde dooddoener mee te lijf te gaan: de opmerking dat je nichtje van drie dit schilderij ook had kunnen maken.

Dat een afbeelding niet lijkt op hoe iets er in werkelijkheid uitziet zegt immers nog niets over hoe die onze zintuigen beroert. Kunst wordt in deze opvatting dan verward met een technische vaardigheid.

Van Plato (447-327 v.Chr.) wordt gezegd dat hij geen kunstliefhebber was omdat hij kunst een inferieure nabootsing vond van de werkelijkheid. Maar dan zien we over het hoofd dat Plato lyrisch was over het werk van Homerus en zelf ook een groot literator was. Toch heeft deze opvatting over Plato veel invloed gehad en ervoor gezorgd dat nabootsing lange tijd een esthetisch criterium is geweest.

Een belangrijke doorbraak in de esthetica kwam van Immanuel Kant (1724-1804). Hij zorgde ervoor dat we niet meer alleen naar het kunstobject keken, of alleen naar het gevoel bij de aanschouwer. Hij keek naar beide. Zo kwam hij tot de conclusie dat ‘over smaak kan worden getwist’. Je kunt geen logische argumenten aanvoeren voor je smaakoordeel, maar je kunt wel laten zien hoe je oordeelt. En dan blijkt een oordeel soms niets met schoonheid te maken te hebben. Bijvoorbeeld als je een schilderij mooi vindt omdat het past bij de bank in je huiskamer. Of omdat je nichtje van drie het heeft gemaakt.

Als we op deze manier onze zintuig­lijke waarnemingen onder de loep ­nemen, is het volgens Kant mogelijk om een ­‘gemeenschappelijk zintuig’ (sensus ­communis) te vinden dat ervoor zorgt dat we zonder dooddoeners echt over schoonheid kunnen praten.

2. Vragen stellen: Zit schoonheid in het ding of in het hoofd?

De filosoof stelt vragen. Maar welke vragen stelt de filosoof dan? Oefen hier de vragende houding van de filosofie.

Volgens Socrates, Cicero en Montaigne is filosoferen niet alleen de kunst van het vragen, maar is filosoferen ook leren sterven. En daarmee is meteen veel gezegd over het soort vragen dat de filosoof stelt: wat komt er na de dood? Wat is leven? Vragen die vragen om een antwoord, terwijl je weet dat dat er niet is. De vraag van de filosoof laat zien dat we het leven nooit van buitenaf kunnen verklaren en dat we dus telkens onze wereld van binnenuit moeten bestuderen. Probeer nu eens met die houding deze vraag te stellen: Zit schoonheid in het ding of in het hoofd? (En welke vragen zijn er nog meer te bedenken?)

Wat is te mooi om waar te zijn?

Bestaat schoonheid nog als alle mooie dingen weg zijn?

Is mooie muziek op dezelfde manier mooi als mooie schilderkunst?

Is een leven zonder schoonheid een zinloos leven?

Is schone natuur mooier dan schone cultuur?

Is mooi zijn ook altijd aantrekkelijk zijn?

Kunnen slechte gedachten mooi zijn?

Bestaat universele schoonheid?

Is schoonheid vergankelijk?

Is waarheid mooier dan schoonheid?

3. Dialoog: Dat is mooi geluk!

Filosofie is niet alleen makkelijker als je denkt, maar ook als je praat. Wie praat hoeft niet alles zelf te bedenken. Dat dacht ook Plato, die al zijn gedachten in dialoogvorm goot. Een kort gesprek over schoonheid tussen Socrates en Diotima.

Diotima: Socrates, vertel me eens, waarom streven mensen toch zo massaal naar schoonheid?

Socrates: Daar heb ik zo snel even geen antwoord op.

Diotima: En als ik ‘schoonheid’ nu eens vervang door ‘het goede’ en vraag: waarom streven mensen naar het goede?

Socrates: Daar heb ik wel een antwoord op. Wie het goede bezit, is gelukkig.

Diotima: Precies, want dankzij het goede zijn de gelukkigen gelukkig, dat spreekt voor zich. Zou iemand die het goede bezit het dan niet voor altijd willen bezitten?

Socrates: Ja, dat lijkt me wel!

Diotima: Kijk, en daarom streven mensen naar schoonheid.

Socrates: Dat snap ik niet.

Diotima: Door te streven naar schoonheid raakt onze geest zwanger. En zoals het zwangere lichaam kinderen voortbrengt, zo brengt de zwangere geest schilderijen, gedichten en standbeelden voort. Dat is de enige manier voor een sterveling om onsterfelijk te worden.

Socrates: Ah, ik snap het! Alleen wie zichzelf onsterfelijk maakt kan het goede ook nog na zijn dood bezitten…

Diotima: … en dus bij leven al gelukkig zijn.

4. Gedachte-experiment: Schoonheid zonder aanschouwer

Wetenschap toetst met experimenten de feiten, filosofie toetst met experimenten het denken.

Stel je voor!
Is beauty in the eye of the beholder? In zijn boek Principia Ethica (1903) neemt de Britse filosoof George Edward Moore (1873-1958) ons mee in een gedachte-experiment. Stel je een wereld voor die buitengewoon mooi is. En stel je vervolgens de lelijkste wereld voor die je maar kunt bedenken. Maar stel je nu eens voor dat geen mens die werelden ooit zal zien. Geen mens zal ooit genieten van de schoonheid van de eerste wereld of zich ergeren aan de lelijkheid van de tweede. Is de eerste wereld dan nog steeds mooi? En de tweede nog steeds lelijk?

Volgens Moore wel. Schoonheid en lelijkheid zijn voor hem objectieve eigenschappen die geheel onafhankelijk van de mens bestaan. Dingen zijn ‘van zichzelf’ mooi of lelijk, niet omdat ze een bepaald effect op mensen of andere wezens hebben. Esthetica is volgens Moore dan ook geen kwestie van smaak. Uitspraken over schoonheid zijn net als andere uitspraken over de wereld objectief waar of onwaar. Als ik zeg: ‘Deze zonsopgang is mooi’, dan is die uitspraak net zo waar als: ‘Moore is in 1958 overleden.’

Moore illustreert zijn punt door de objectieve eigenschap ‘mooi’ te vergelijken met de objectieve eigenschap ‘geel’. Je kunt geel proberen te beschrijven door de kleur te vergelijken met andere kleuren – ‘Geel is helderder dan blauw’ – of door te laten zien wat voor effect de kleur op de mens heeft – ‘Geel is een kleur die ons opgewekt maakt’. Toch zul je met zulke beschrijvingen nooit de essentie van geel vatten – ik weet alleen wat geel is door iets geels te zien. Hetzelfde geldt voor schoonheid: een schilderij is niet mooi omdat het harmonieuzer is dan een ander schilderij, of omdat het de mens een fijn gevoel bezorgt. Wat mooi is, is mooi – punt uit.

Echt?!
Moores ideeën over esthetica kregen nogal wat kritiek. Volgens veel filosofen speelt Moore namelijk vals. Hij stelt dat schoonheid onafhankelijk is van de mens, maar moet wel van zijn lezers – mensen – vragen om zich die mooie wereld voor te stellen. Wat Moore volgens zijn critici daarmee juist laat zien is dat iets altijd mooi of lelijk ‘voor iemand’ is. Zo is Beethovens Negende Symfonie onbegrijpelijk lawaai voor een kat, maar mooi voor een mens. Toch doet Moore, zelfs als je het niet met hem eens bent, iets interessants: hij maakt ons ervan bewust hoezeer onze blik er wel – of juist niet? – toe doet in het esthetisch oordeel.

5. Close reading: Immanuel Kant over schoonheid

Filosofie is ook makkelijker als je leest. Goed leest. Het liefst met pen of potlood in de hand.

Het schone is datgene wat zonder begrippen als object van algemeen welgevallen*1 wordt voorgesteld.

Deze definitie van het schone kan uit de voorgaande definitie, die van het schone als object van volstrekt belangeloos welgevallen*2, worden afgeleid. Want als iemand zich ervan bewust is dat zijn welgevallen in iets voor hemzelf zonder enig belang is, dan kan hij niet anders oordelen dan dat dit iets een grond van welgevallen voor iedereen moet bevatten. Aangezien dat welgevallen niet op een of andere neiging van het subject*3 berust (en ook niet op welk ander overwogen belang dan ook), maar de oordelende zich volkomen vrij voelt ten aanzien van het welgevallen dat hij in het object heeft, kan hij geen persoonlijke voorwaarden als grond voor het welgevallen vinden die alleen zijn subject eigen zijn, en moet hij dat welgevallen dus beschouwen als gefundeerd in wat hij in ieder ander kan veronderstellen; en derhalve moet hij geloven reden te hebben om iedereen zo’n welgevallen toe te schrijven. Hij zal dus over het schone spreken alsof schoonheid een eigenschap van het object*4 en het oordeel logisch is (namelijk door middel van begrippen kennis van dat object vormt). Toch is dat oordeel enkel esthetisch en bevat het alleen maar een betrekking van de voorstelling van het object tot het subject. Zijn oordeel lijkt op een logisch oordeel omdat we de geldigheid ervan voor iedereen kunnen veronderstellen. Die algemeenheid kan echter niet uit begrippen voortkomen. Want er bestaat geen overgang van begrippen naar het gevoel van lust en onlust (wel in het geval van zuivere praktische wetten, maar die gaan gepaard met een belang; met het zuivere smaakoordeel is geen belang verbonden). En derhalve moet het smaakoordeel, in het bewustzijn van elk belang vrij te zijn, aanspraak maken op geldigheid voor iedereen*5, zonder dat die algemeenheid op objecten is gestoeld; d.w.z. er moet een aanspraak op subjectieve algemeenheid mee verbonden zijn.

1. We zijn gewend om het schone, dat wat we in het dagelijks leven mooi noemen, te zien als iets persoonlijks. Wat ik mooi vind hoeft een ander niet mooi te vinden. Immanuel Kant (1724-1804) analyseert minutieus ons schoonheidsoordeel (= iets mooi vinden) en ontdekt dat wanneer we iets mooi vinden we er juist van uitgaan dat iedereen dit vindt en het dus om een ‘algemeen welgevallen’ gaat.

2. In de voorafgaande paragrafen heeft Kant laten zien dat als we iets mooi vinden om een andere reden dan het kunstwerk zelf, we er dan wel van kunnen genieten, maar dat dat een ander genot is dan het welbehagen dat ontstaat als we iets mooi vinden om zichzelf. Het is belangrijk om te beseffen dat Kant niet voorschrijft hoe we moeten oordelen over schoonheid, of wat wel of niet mooi is. Hij beschríjft ons gevoelsleven en ontrafelt dan de verschillende betekenissen van welgevallen. Wat mooi, aangenaam of eerbaar is kan allemaal heel lekker voelen, maar als je erover nadenkt is dat telkens om andere redenen.

3. Subject is degene die het ­ervaart, object is het ‘ding’ dat aanschouwd wordt.

4. Als we iets waarderen omdat het leuk bij de bank staat, statusverhogend is, of omdat het een goed doel dient, is er een oorzaak buiten het object die het begeerlijke gevoel veroorzaakt. Zodra dit niet het geval is, weten we dat het om echte schoonheid gaat. En omdat er voor het gevoel van welbehagen geen oorzaken buiten het object lijken te liggen, is het alsof schoonheid een eigenschap van het object zelf is. Dat is dan geen logisch gevolg van het object, maar het is een logisch gevolg van onze waardering van het object.

5. Verderop in het werk noemt Kant dit ook wel sensus communis, dat niet hetzelfde is als common sense, maar dat letterlijk als ‘gemeenschappelijk zintuig’ moet worden vertaald. Als we iets mooi vinden zonder dat we (na zorgvuldige introspectie) er enig belang bij blijken te hebben, dan mogen we aannemen dat dit door elk redelijk wezen zo wordt ervaren.