Home Leren filosoferen Filosofie is makkelijker als je denkt: Macht
Leren filosoferen

Filosofie is makkelijker als je denkt: Macht

In 'Filosofie is makkelijker als je denkt' helpen we u in vijf stappen op weg in het zelf leren denken. Deze keer: macht.

Door de redactie op 18 november 2022

Friedrich Nietzsche filosoof macht
FM 12 cover spel spelen schaakbord ballerina
12-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

1. Inleiding: ‘De wereld is niets dan de wil tot macht’

Macht is makkelijker als je denkt, dachten ook Plato en Friedrich Nietzsche. Hannah Arendt dacht liever aan iets anders. Een kleine inleiding in de filosofie van macht.

De tragiek van macht is dat zij die de macht het vurigst nastreven, meestal niet degenen zijn die het gelijkmoedigst met de macht omgaan. Sterker nog: hoe wijzer de mens, hoe kleiner de machtslust, lijkt de regel. Maar klopt dat wel? Moet een wijs mens de macht schuwen?

In De staat stelt Plato (427-347 v.Chr.) de staat voor als een schip. ‘De gezagvoerder is groter en sterker dan alle andere opvarenden, maar met zijn kennis van navigatie is het even slecht gesteld.’ Al snel breekt er ruzie onder de matrozen uit. Ze vinden allemaal dat zij zélf aan het roer moeten staan – al heeft geen van hen verstand van navigatie. Als iemand oppert dat de beste stuurman het schip kan leiden, hakken ze hem in de pan. De ‘ware navigator’ bestudeert ondertussen ongemoeid de stand van de sterren. De échte leider, stelt Plato, leidt met tegenzin.

Moet een wijs mens de macht schuwen?

Maar kan een wijs mens niet juist ook naar macht verlangen? De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) meende dat ‘de wereld niets anders is dan de wil tot macht’: iedereen verlangt ernaar om zich te laten gelden. Dat we zijn gaan denken dat een deugdzaam mens zich van de macht afzijdig moet houden, komt volgens hem door ‘onze slavenmoraal’. De wereld is volgens Nietzsche verdeeld in roofvogels en lammeren, de sterken en de zwakken. De zwakke, stelt Nietzsche, liegt zichzelf voor dat ‘onmacht’ eigenlijk ‘deugdzaamheid’ is en ons verlangen naar macht een vorm van kwaadaardigheid.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Of we macht wel of niet moeten schuwen, hangt af van hoe je tegen macht aankijkt. Volgens de Duitse filosoof Hannah Arendt (1906-1976) vatten we macht vaak op als een individuele kracht of als geweld en onderdrukking. En dat kan heel verwerpelijk zijn, stelt ze. Maar macht is eigenlijk iets heel anders: het is een politieke kracht die tussen mensen kan ontstaan. Echte macht, stelt Arendt, is ‘in principe oneindig’. ‘Haar enige limiet,’ schrijft ze, ‘is het bestaan van andere mensen.’ Volgens Arendt creëren we macht door samen met anderen te handelen en te spreken; zo kunnen we macht eindeloos blijven vermeerderen en tegenkracht bieden tegen haar vijanden: onderdrukking en geweld.

Samen denken is dus ook macht. Voel jij je inmiddels al een beetje machtiger? Laat het je niet naar het hoofd stijgen.

2. Vragen stellen: Wat heb je als je macht hebt?

Volgens Socrates, Cicero en Montaigne is filosoferen niet alleen de kunst van het vragen, maar ook leren sterven. En daarmee is meteen veel gezegd over het soort vragen dat de filosoof stelt: wat komt er na de dood? Wat is leven? Vragen die vragen om een antwoord, terwijl je weet dat dat er niet is. De vraag van de filosoof laat zien dat we het leven nooit van buitenaf kunnen verklaren en dat we dus telkens onze wereld van binnenuit moeten bestuderen. Probeer nu eens met die houding deze vraag te stellen: Wat heb je als je macht hebt? (En welke vragen zijn er nog meer te bedenken?)

Wat is sterker: de macht van het zwaard of de macht der gewoonte?

Kunnen je willen zonder macht?

Bestaat macht zonder middelen?

Verlangt ieder mens naar macht?

Kun je macht hebben zonder macht te gebruiken?

Bestaat gezag zonder macht?

Kun je macht hebben zonder wil?

Bestaat macht zonder geweld?

3. Dialoog: Niets te zeggen

Filosofie is niet alleen makkelijker als je denkt, maar ook als je praat. Wie praat hoeft niet alles zelf te bedenken. Maar wat als jij bepaalt wat de ander te zeggen heeft? Een gesprek over macht tussen meester en knecht.

Knecht: Kan ik iets voor u doen?

Meester: Had ik jou iets gevraagd?

Knecht: Ik moet voor u klaar staan, meneer. Dus, ja, dat vraagt u van mij. De meester vraagt altijd iets van de knecht. Hij kan niet anders.

Meester: Zwijg, wijsneus. Als ik je nodig heb merk je het vanzelf.

Knecht: Met uw permissie, heer, u hebt mij altijd nodig. Wat zou een meester zonder knecht zijn?

Meester: Geef me liever een stoel. Ik word moe van je geklets.

Knecht: Het spijt me, er zijn hier geen stoelen.

Meester: Maak er dan als de wiedeweerga een voor me van het hout uit mijn bos. Zwijg en zwoeg nu.

Knecht: Uw stoel, meneer, voilà, gaat u zitten, geen dank.

Meester: Nu vooruit, breng me wat te eten en vertel me dan een verhaal om me te amuseren.

Knecht: De kok zegt dat er geen eten meer is. Het ging op aan de houthakkers. En ik moet zeggen: ik moest tussendoor zelf ook even wat hebben om te kunnen blijven werken.

Meester: Verzin iets!

Knecht: Ik heb geen idee, meester. Ideeën krijg ik altijd alleen van u.

Meester: In godsnaam, vertel me dan dat verhaal maar.

Knecht: Kent u dat verhaal van de meester en knecht?

4. Gedachte-experiment: Waar stopt de macht van de ander?

Wetenschap toetst met experimenten de feiten, filosofie toetst met experimenten het denken.

Stel je voor!
Je wordt op een ochtend wakker en tot je verbazing kom je maar niet overeind. Je kijkt over je schouder en ziet dat je rug aan rug bent verbonden met een wereld­beroemde concertviolist. Een onplezierige ervaring. Vast een aardige man hoor, maar dit is wel heel intiem, en zo fris ruikt hij niet.

Snel haal je verhaal: de violist heeft een fatale nier­kwaal en de Society of Music Lovers heeft alle beschikbare medische dossiers onderzocht en vastgesteld dat alleen jij de juiste bloedgroep hebt om hem te helpen. Ze hebben je daarom ontvoerd, en vannacht is de bloedsomloop van de violist aangesloten op die van jou, zodat je nieren kunnen worden gebruikt om vergif uit zijn bloed en dat van jezelf te halen.

De directeur van het ziekenhuis deelt mee: ‘Als hij nu van u wordt losgekoppeld, zal hij sterven, maar over negen maanden is hij hersteld van zijn kwaal en kan hij veilig van u worden verwijderd.’

Ben je verplicht om negen maanden met de violist aan je lichaam verbonden in bed te blijven liggen? Die man heeft recht op leven, zou je zeggen. Bovendien zou de wereld vast een minder mooie plek zijn zonder deze muzikale virtuoos. Misschien besluit je het in alle aardigheid wel te willen doen. Maar wat als het nu om negen jaar gaat? Of je hele leven?

De Amerikaanse ethicus en feminist Judith Jarvis Thomson (1929-2020) wilde met dit gedachte-experiment de discussie over abortus veranderen. Die gaat volgens haar vaak over de vraag of een foetus een volwaardig persoon is en of die daarmee recht heeft op leven. Maar, stelt Thomson, ook als we aannemen dat de foetus wél een persoon is, dan is het nog steeds de vraag of die zich ook jouw lichaam mag toe-eigenen. Hoe overtuigend de reden ook, redeneert Thomson, als iemand aanspraak maakt op jouw lichaam, dan mag je ‘nee’ zeggen.

Echt?!
Thomson beroept zich met dit gedachte-experiment op een belangrijke waarde: de zelfbeschikking over ons lichaam. Het recht om ‘nee’ te zeggen als het op ons eigen lichaam aankomt, beschermt ons tegen misbruik van anderen en de overheid. Maar betekent dat ook dat we alleenheersers zijn over ons eigen lichaam? Mag je er zomaar alles mee doen – ook als dat schadelijk is? Of hebben anderen in sommige gevallen nog wel iets te zeggen? Discussies over euthanasie en geslachtsveranderingsoperaties laten zien dat dit geen uitgemaakte zaak is.

5. Close reading: Nietzsche over de wil tot macht

Filosofie is ook makkelijker als je leest. Goed leest. Het liefst met pen of potlood in de hand.

De filosofen plegen over de wil te spreken alsof het de bekendste zaak van de wereld is; Schopenhauer verklaarde zelfs dat alle wil ons werkelijk bekend was 1, geheel en al bekend, zonder minnen en plussen bekend. Maar ik kan niet nalaten te denken dat Schopenhauer ook in dit geval alleen maar deed wat filosofen nu eenmaal plegen te doen: dat hij een populair vooroordeel heeft overgenomen en overdreven. Willen schijnt mij vooral iets gecompliceerds toe, iets wat slechts als woord een eenheid is 2, – en juist in het ene woord schuilt het populaire vooroordeel dat de altijd maar kleine voorzichtigheid van de filosofen te machtig is geworden. Laten wij voor de verandering dus voorzichtiger zijn, laten we ‘onfilosofisch’ zijn -, laten wij zeggen: ieder willen bergt ten eerste meerdere gevoelens in zich, namelijk het gevoel van de toestand waarvandaan, het gevoel van de toestand waarnaartoe, het gevoel van dit ‘vandaan’ en ‘naartoe’ zelf, dan nog een begeleidende spiergewaarwording die, ook zonder dat we ‘armen en benen’ in beweging brengen, zodra wij ‘willen’ door een soort gewoonte een rol begint te spelen. Zoals dus het voelen, en wel van velerlei gevoelens, als ingrediënt van het willen moet worden erkend, zo ook, ten tweede, het denken: iedere wilsuiting omvat een commanderende gedachte 3; – en men moet niet geloven dat men deze gedachte van het ‘willen’ kan scheiden, alsof er dan nog een wil overbleef! Ten derde is de wil niet alleen een complex van voelen en denken, maar bovenal ook een affect: en wel het affect van dat commando. Wat ‘vrijheid van de wil’ 4 genoemd wordt, is in wezen het superioriteitsaffect ten opzichte van degene die moet gehoorzamen: ‘Ik ben vrij, “hij” moet gehoorzamen’ – dit bewustzijn begeleidt iedere wil, alsmede de spanning van de aandacht, de strakke blik die uitsluitend één ding fixeert, de onvoorwaardelijke waardeschatting 5 ‘nu is dit en niets anders nodig’, de innerlijke zekerheid omtrent het feit dat gehoorzaamd zal worden, en wat er allemaal nog meer tot de toestand van de bevelende behoort. Een mens die wil – beveelt een iets in zichzelf dat gehoorzaamt of waarvan hij gelooft dat het gehoorzaamt.

Uit: Friedrich Nietzsche, Voorbij goed en kwaad, vert. Thomas Graftdijk, met herzieningen door Paul Beers, Arbeiderspers, 2015.

  1. De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) stelde dat de wil de centrale kracht in het universum is. Deze wil is een soort oerdrift tot overleven, tot voortbestaan. De wil is de enige manier waarop we volgens Schopenhauer de echte wereld, het Ding an Sich, kunnen kennen.
  2. Volgens filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) is de wil geen eenheid, maar bestaat deze altijd uit verschillende driften die met elkaar strijden om het overwicht. Ook binnen één mens.
  3. Nietzsche neemt het begrip van de wil van Schopenhauer over, maar stelt dat alle wil tot leven terug te leiden is tot wil tot macht. De wil is volgens Nietzsche niet alleen een wil tot voortbestaan, maar ook een wil om de wereld om zich heen te beheersen en weerstanden te overwinnen. Al het menselijke handelen is volgens Nietzsche te verklaren vanuit een wil tot macht, een drang om te overheersen.
  4. Als alle wil wil tot macht is, en strijdt om dominantie, is de wil niet per definitie vrij. Het gros van de driften gaat ten onder in de machtsstrijd en is niet vrij. De ‘vrije wil’ is dus geen gegeven. Vrij is alleen de drift die de wilsstrijd wint en de andere driften kan overheersen.
  5. De wil tot macht toont zich ook in de waarden die mensen aan dingen verlenen, zegt Nietzsche. Zo is de waardering van medelijden als deugd een manier van de zwakke mens om macht te veroveren op de sterke mens. Door medelijden wordt de sterke mens beperkt in zijn dominantie over de zwakke mens – en ertoe aangezet om deze te helpen.