Home Filosofie en beeld: Over Marlene Dumas

Filosofie en beeld: Over Marlene Dumas

Door Mariëtte Willemsen op 23 maart 2015

Filosofie en beeld: Over Marlene Dumas
Cover van 01-2015
01-2015 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Eind augustus 2014, kort voor de opening van de overzichtstentoonstelling van haar werk in het Stedelijk Museum in Amsterdam, was Marlene Dumas te gast in het programma College Tour. Levendig en met humor vertelde Dumas over haar werk, reagerend op vragen van Twan Huys en de kunststudenten in de zaal, en op korte filmpjes tussendoor waarin mensen over haar werk en haar persoon vertelden. In een van de filmpjes kwam Hans den Hartog Jager, kunstcriticus van de NRC, aan het woord. Den Hartog Jager gebruikte in zijn beschrijving van Dumas’ naaktportretten een aantal schuttingwoorden. Dumas reageerde ontsteld op het taalgebruik van de criticus en gaf aan dat ze dergelijke lelijke woorden zelf nooit gebruikte: ‘Het is niet mijn terminologie.’ Op de vraag van Huys welke woorden ze dan liever zou gebruiken, antwoordde ze dat ze dat niet wist en dat ze als maker sowieso niet hoefde te beschrijven wat ze gemaakt had.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Natuurlijk beschreef Dumas ondertussen wel degelijk haar eigen werk, zij het niet direct maar via de omweg van associaties en anekdotes, door te vertellen over haar werkwijze en ook door een aantal wenken te geven aan hen die de tentoonstelling zouden gaan bezoeken. 

Ik zag de overzichtstentoonstelling eerder dan de ontmoeting van Huys met Dumas (die natuurlijk via Uitzending gemist nog steeds te zien is). De uitzending bracht me ertoe na te denken over haar woorden in een herbeleving van mijn bezoek aan het Stedelijk. Ik concentreer me op
twee werken: ‘Models’ 1994; ‘Elisabeth Eybers’ 2007; en op twee uitspraken: ‘Wat langer kijken’ en ‘Een beeld, geen mens’.
   

‘Wat langer kijken’ – Van het werk ‘Models’ weet ik inmiddels dat het een beroemd werk is, op vele plekken tentoongesteld en vaak besproken. Dat wist ik bij mijn bezoek aan het Stedelijk nogniet. Ik kon nog vrijuit kijken. Het is een werk dat bestaat uit honderd inkttekeningen. Het zijn stuk voor stuk portretten van vrouwen, al weet ik niet zeker of ik dat meteen al zag, en al stellen de portretten juist aan de orde wat het betekent om van een gezicht te zeggen dat het een gezicht van een vrouw is. Ik wilde er meer over weten, maar dwong mezelf niet meteen de tentoonstellingstekst bij het werk te gaan lezen, wat ik meestal wel doe, maar om eerst een tijdje te kijken. Er was een gezicht dat leek op dat van Simone de Beauvoir, een ander deed me op een bevreemdende manier denken aan dat van een vriendin van me, en eentje vertoonde gelijkenis met de tronie van Vladimir Poetin. De gezichten waren over het algemeen niet aantrekkelijk, en in elk geval beantwoordden ze niet aan het heersende schoonheidsideaal. Ik werd herinnerd aan plaatjes met gezichten van emoties, zes of hooguit acht foto’s met telkens een andere zogenaamde basisemotie: blijdschap, verdriet, verbazing, walging, woede of angst. Bij Dumas waren het 100 gezichten, elk met een eigen emotie, telkens weer een ander mengsel van verdriet, woede, angst en nog weer andere emoties waar we het vocabulaire niet voor hebben.

‘Een beeld, geen mens’ – In de zaal met grote portretten van onbekende en beroemde mensen was het vooral de beeltenis van Elisabeth Eybers die me trof. Ik herkende de dichteres met het lange gezicht, de vorsende ogen en de opgetrokken linkerwenkbrauw meteen. Pas later begreep ik dat ik bij de herkenning gestuurd moet zijn door een foto van haar die ik al kende. Hoewel Dumas Eybers persoonlijk kende, moet het wel zo zijn dat ze bij het schilderen de foto van Philip Mechanicus gebruikt heeft, zo
frappant is de gelijkenis. Het is geen geheim dat Dumas vaak foto’s gebruikt als bron van inspiratie. Tegen Huys zei ze dat ze bij voorkeur
niet ‘naar de waarneming schildert’ en liever de ‘artificialiteit van kunst’ benadrukt. Ze legde verder uit dat ze geen mens maakt, maar een
beeld. Het schilderen naar een ‘fotomodel’ is een voorbeeld van deze werkwijze. 

In hoeverre maakt Dumas zich, met dit herhalen van beelden, schuldig aan plagiaat? In januari 2015 werd de Belgische schilder Luc Tuymans veroordeeld voor een Dumasiaans ogend vergrijp, omdat men tot het oordeel kwam dat zijn schilderij van politicus Jean-Marie Dedecker een kopie is van een krantenfoto van fotografe Katrijn van Giel. Tuymans gaat in hoger beroep, omdat zijn schilderij volgens hem een parodie is op de foto en daarmee niet domweg een herhaling van wat al bestond.

Als het de kern van de discussie is dat een kunstenaar meer (of minder) moet doen dan alleen maar kopiëren, heeft Dumas weinig te vrezen. In de catalogus bij de tentoonstelling lezen we dat Dumas Eybers’ verlangen naar leegte bewonderde, en er net als de dichteres naar is gaan streven haar werk kaler te maken ‘om van schijnheilige overmoed verlost te worden.’ (The Image as Burden, p. 133). Die soberheid kenmerkt het schilderij uit 2007, het jaar waarin Eybers stierf. Bij een eerste, vluchtige lezing van deoorspronkelijke foto van Mechanicus zou je Eybers’ blik hautain kunnen vinden. Die interpretatie moet je opgeven als je wat langer hebt gekeken naar het schilderij van Dumas. De blik is niet uit de hoogte, maar egoloos afstandelijk en bezonnen. Zo stelt Dumas ons beeld bij.