Home Filosofie en beeld: Het eerste zien

Filosofie en beeld: Het eerste zien

Door Mariëtte Willemsen op 14 juni 2016

Cover van 02-2016
02-2016 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

In het gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ laat Paul van Ostaijen (1896-1928) ons door de ogen van een kind naar een kleine wereld kijken. Het beroemde vers uit 1924 begint zo:

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp

Je kunt je het tafereel makkelijk voorstellen: een jong kind, met een nog beperkte woordenschat, kijkt om zich heen, ziet een af beelding op een vaas, voorwerpen in de kamer en de beeltenis van een visser op een schilderij. Hij benoemt wat hij ziet met simpele woorden voor simpele dingen, rijmt tussendoor met ‘ploem ploem’ op bloem, en klankspeelt met ‘visserke-vis’, in kennelijke vreugde om wat je met woorden kunt doen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In een essay over dit gedicht, ‘Marc en de dingen’, vertelt Jef Bogman over de achtergrond ervan. Van Ostaijen zou zich bij het schrijven hebben laten inspireren door Marc, het zoontje van de bevriende schilder Floris Jespers: ‘Jespers had de gewoonte om zijn zoon na het opstaan op schoot te nemen en hem dan te laten vertellen wat hij allemaal zag. Jespers’ huis hing vol met schilderijen. Van Ostaijen kwam op een ochtend, was op zijn beurt zeer verrast door wat het kind zei en keerde de volgende dag terug met zijn schriftje om Marcs woorden te noteren.’

Van Ostaijens fascinatie voor de taal van Marc, vervolgt Bogman, is in verband te brengen met zijn poëtica. Volgens het door Van Ostaijen voorgestane ‘organies expressionisme’ is het belangrijk dat een schilderij of een gedicht uitdrukking geeft aan het ‘eerste zien’. Bogman legt uit, onder verwijzing naar poëticale teksten van Van Ostaijen, dat het hier gaat om een ongefilterd zien, een manier van waarnemen die niet gestuurd wordt door al aanwezige kennis.

Aan het begin van Room (2015), een Canadees-Ierse film van regisseur Lenny Abrahamson naar de gelijknamige roman van Emma Donoghue (2010), zien we hoe hoofdpersoon Jack (Jacob Tremblay) net als Marc de dingen goedemorgen zegt. Het is Jacks vijfde verjaardag (‘Ma, I’m five!’). Hij verplaatst zich door de kamer waarin hij en zijn moeder (Brie Lar-son) zich bevinden en zegt: ‘Good morning, Lamp. Good morning, Plant. Good morning, Eggsnake. Good mor ning, Rug. Good morning, Wardrobe. Good morning, TV. Good morning, Sink. Good morning Toilet. Good morning, everyone.’

Met deze opsomming, zo ziet de kijker al gauw, is een bijna uitputtende beschrijving gegeven van wat er voorhanden is in de ruimte waarin de twee zich bevinden. Er is niet meer dan wat huisraad en een slang van eierschalen (‘Eggsnake’), het enige speeltje dat de jongen bezit. Maar de dingen zijn bezield en worden begroet alsof het levende wezens zijn: ‘Good morning, everyone’ (en niet: ‘everything’). ‘Room’ is voor Jack de hele wereld. Er is geen andere ruimte dan ‘Room’, en dus behoeft het geen lidwoord. Ieder ding krijgt een eigen naam, en heeft daarmee recht op een hoofdletter (‘Room’, ‘Bad Tooth’, ‘Skylight’)

Jack volgt net als Marc de poëtica van Van Ostaijen: hij neemt de dingen waar zonder een of andere vooraf gegeven ordening. Het is vanzelfsprekend dat een kind dat doet, want er is nog zo weinig kennis dat die een nieuwe waarneming niet hoeft te vertroebelen. Het zien van kinderen is natuurlijkerwijs een eerste zien.

Maar Jack leeft in een ander universum dan Marc. Jack en zijn jonge moeder blijken gekidnapt te zijn. De ruimte waarin ze leven is niet oneindig, zoals Jack eerst dacht, maar een afgesloten kamer, een ommuurde benauwde plek waarin ze gevangen zitten, met alleen licht vanuit een dakraampje. De moeder vertelt Jack, nu hij groot genoeg is om dit te begrijpen, dat er een buitenwereld is, een echte wereld aan de andere zijde van de muren: ‘Jack, the world. You wouldn’t believe how big it is. Room’s only a tiny stinky piece of it.’ Jack kan deze vreemde waarheid eerst niet bevatten. Hij moet alles in een ander licht gaan zien en zijn opvattingen van wat echt is en niet echt bijstellen.

Moeder en zoon weten uiteindelijk te ontsnappen aan de man die hen gevangenhoudt. Het tweede deel van de film laat zien hoe dramatisch moeizaam het proces van gewenning verloopt. De echte wereld is van een onthutsende overvloed, zoals Jack als volgt beschrijft: ‘Doors and doors and behind all the doors there’s another inside and another outside and things happen-happen-happening, it never stops.’

Er zijn lidwoorden nodig om de ene deur van de andere te onderscheiden, en Jack moet zijn wijze van waarnemen en spreken aanpassen. Soms mist hij ‘Room’ om de nabijheid van zijn moeder en de overzichtelijkheid van de wereld. Na verloop van tijd vraagt hij zijn moeder of ze een bezoek mogen brengen aan hun oude woonruimte. Ze gaan erheen. Jack herkent ‘Room’ haast niet: de politie heeft spullen weggehaald voor nader onderzoek. De ruimte lijkt gekrompen: ‘It’s because Door is open. It can’t really be Room if Door is open.’

De slotscène van de film brengt ons terug bij het begin. Jack groet de dingen. Hij neemt voorgoed afscheid van Room: ‘Bye Table, bye Wardrobe, bye Sink, bye bye Skilight.’ Hij moedigt zijn moeder aan om ook dag te zeggen: ‘Ma, say bye bye to Room.’ De moeder volgt dit therapeutisch advies: we zien hoe haar lippen de woorden ‘bye Room’ vormen.

Behalve schijn en werkelijkheid, eerste onderwerp van elke cursus over filosofie en film, stelt Room teder en sober grote thema’s aan de orde: liefde tussen ouder en kind, en hoe die liefde de veerkracht van de ouder en de ontvankelijkheid, het ‘eerste zien’, van het kind mogelijk maakt.