Home Fenomenologie van het vrije willen

Fenomenologie van het vrije willen

Door Jacques de Visscher op 30 oktober 2014

Cover van 01-2010
01-2010 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

In dit artikel is mijn stelling: Het (vrije) willen begrijpen we het best als we het onderkennen als een zijnswijze van onszelf in de wereld. Aan de hand van getuigenissen en manifestaties, van verhalen en mise-en-scènes van het willen, probeer ik deze zijnswijze in de wereld die wij met anderen delen te verhelderen. Ik betoog dat het begrip wil eigenlijk ‘vrije wil’ betekent. Dit zal ik ook te laten zien door te kijken naar het ontluiken van dit fenomeen. Waar het woord ‘wil’ voor een kind nog kan verwijzen naar ‘wens’, betekent het bij de volwassene primair ‘vrije wil’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Ik wil, dus mag ik!’

Onlangs hoorde ik hoe een vierjarig meisje het vaderlijke gezag trotseerde. Terwijl ze met de huisgenoten aan tafel werd verwacht, wilde ze naar buiten in de tuin. Wat ze absoluut wilde, zei ze met veel nadruk: ‘Ik wil, dus mag ik!’ Op het verzet van haar vader reageerde ze met: ‘Maar ik wil,’ en onmiddellijk daarop: ‘Maar ik wil dat nú!’ Wellicht herinneren alle ouders zich analoge uitspraken van hun kinderen. Hopelijk vinden die ouders het veelvuldige en hardnekkige herhalen van zulke uitspraken niet al te vermoeiend. Mogen zij immers niet tevreden, zelfs gelukkig zijn met zulke uitroepen? Welke ellende en droefheid zouden zij niet kennen als hun kinderen hun wil nooit te kennen gaven, als hun kinderen niet lieten horen dat zij een wil hebben, dat ze willen? Zullen de ouders, als opvoeders, niet beseffen dat de wilsbekwaamheid een groot goed is? Zullen die ouders bovendien niet de opvatting betwisten dat het willen (en dus ook de vrije wil) een illusie zou zijn?

In de uitspraak van het kind, ‘Ik wil, dus mag ik!’, vind ik materiaal dat ik graag gebruik voor mijn opzet, met name verhelderen wat willen is, omdat de uitspraak zelf interessante vooronderstellingen bevat.
Er is vooreerst het feit van de uitspraak die een huiselijke situatie en tegelijk een hele wereld verraadt. Een vierjarig meisje zegt iets tot haar vader. Ze zegt iets over iets, over haar voornemen om, bijvoorbeeld, naar buiten te gaan om in de tuin te spelen op het ogenblik dat ze voor het avondmaal aan tafel moet. Ze zegt iets op een bepaalde manier, met nadruk – het gaat niet om een vraag, een suggestie of een schuchtere wens – betreffende iets wat haar aanbelangt en bijgevolg met de inzet van haar hele persoon – hoe jong en klein een vierjarig kind ook mag zijn. Er is dus een situatie waarin dit kind niet zo maar iets mededeelt aan een willekeurig iemand; neen, ze richt zich tegen iemand, een huisgenoot, haar vader. Met het ‘ik wil’ zet zij zich af tegen een ‘jij wilt’, in die zin dat zij voorbij wil gaan aan wat een ander wil. Zij heeft haar wil die zij niet alleen duidelijk van een andere wil onderscheidt; ze poneert die wil in weerwil van de wil van een ander. In haar ogen primeert haar wil. En natuurlijk wil ze de daad bij het woord voegen. Zij heeft een besef van wat gevolgen zijn.
 
Vervolgens lijkt het erop dat in de affirmatie ‘Ik wil, dus mag ik!’ een onderliggende, onderdrukte en dus onuitgesproken vraag steekt: ‘Ik wil, mag ik?’ Ze heeft de vraag echter in een affirmatie omgebogen, waardoor ze het gezag van haar vader uitschakelt. De vader is voor haar een autoriteit, diegene die toelating verleent of verbiedt. Ze weet dat, maar trekt de verantwoordelijkheid van die sanctie naar zich toe. Er is dus dubbelzinnigheid, want als ze zegt dat ze mag omdat zij iets wil, dan gaat ze voorbij aan een wet die ze kent en tot op zekere hoogte ook wel erkent. Enerzijds weet ze dat een toelating nodig is voor de handeling die ze wil stellen, en dat die toelating zou moeten komen van diegene die ze aanspreekt, de jij die ook een wil heeft en die voor haar gezag dragend is. Anderzijds elimineert het meisje de ander als wetgever: hij heeft mij geen toelating te geven.
Ten slotte is er het betekenisvolle woordje ‘dus’. ‘Ik wil, dus mag ik!’, zegt ze. Hiermee geeft ze niet alleen te kennen dat anderen hier geen toelating te verlenen hebben, maar vooral dat haar wil de toelaatbaarheid van haar handelen rechtvaardigt. Er is niet alleen de implicatie ‘Ik weet heel goed wat ik wil’, er is bovendien de implicatie ‘Als ik wil heeft daar niemand iets aan te zeggen, mijn willen volstaat’. ‘Ik wil, dus mag ik!’ wordt op die manier een merkwaardige maxime, dit is haar subjectief basisbeginsel voor het handelen: ‘Wat ik wil, duldt geen tegenspraak.’ Lees: ‘Het geoorloofde hangt af van mijn willen.’ Zo’n maxime is extreem eenzelvig, want ze houdt de ontkenning in van alle normativiteit die ofwel het willen voorafgaat of het willen doorkruist. Het ‘ik wil’ is de onbetwistbare maat van het geoorloofde. Wat uit dit ‘ik wil’ voortvloeit, is niet te verbieden. Het kind kon even goed zeggen: ‘Als ik niet wil, dan moet ik niet!’ – een uitspraak die ik trouwens andere kinderen heb horen doen.

Willen past in een verhaal, het verhaal van het handelen

Wat houd ik nu van een eerste, weliswaar nog onvolledige analyse van het uitgangspunt over? Ze duidt vooreerst aan dat we de praktijk van het willen in een verhaal leren kennen. Zulke verhalen hebben we nodig opdat we ons zouden realiseren dat de werkelijkheid van het willen niet via concepten of definities tot ons komt, maar via getuigenissen. Een willen staat niet op zichzelf of valt niet zo maar uit de lucht. Als iemand zegt dat hij iets wil, dan krijgt dit willen alvast een gestalte in een te vertellen context. Hoe klein of kort ook, het is het verhaal van een levensvorm of van een zijnswijze. We menen dan dat hier een werkelijkheid ter sprake komt waarmee we op de een of andere manier rekening moeten houden. Nu impliceert het ter sprake brengen een intersubjectieve situatie. In mijn uitgangspunt houdt dit in dat de wil van het kind tegenover de wil van de vader staat. Kan ik nu niet algemeen stellen dat het willen steeds een context vooronderstelt waaruit we de ander niet kunnen wegcijferen of waarin we een obstakel of een tegenkanting dienen te overwinnen? Er is verder niet alleen het gegeven van de taal, van de specifieke woorden waarvan het willend subject gebruikmaakt – geen enkel kind verzint zijn moedertaal –, maar er is vooral de context waarin het willen ontstaat. Is er een willen dat onafhankelijk van het willen van anderen op gang komt? Eigenlijk niet, want we kennen het willen slechts vanuit de ervaring van iemands gedrag, van iemands getuigenissen die bovendien in een levensloop zijn ingebed. We nemen dus aan dat het kind heeft leren willen en dit in een context waarin zowel wilsintenties als gewilde handelingen ter sprake komen. Het kind kijkt op naar de anderen, spiegelt zich aan anderen en imiteert. Dit lijkt wel een begeerte die tegelijk een spanningsverhouding inhoudt waarbij het kind iets wil doen of realiseren wat nog niet is. Het belangt haar aan dat zij in een gegeven situatie wil wijzigen: zij is in de kamer en wil naar buiten, zij wil spelen en (net nu) niet aan tafel gaan om te eten, enzovoort.

Zoals hier al gesuggereerd, komt het fenomeen van het willen nog niet tot zijn volle recht bij het nadrukkelijke voornemen alleen om iets te doen. Het fenomeen van het willen laat zich immers niet herleiden tot de eenvoudige aankondiging dat ik mij iets voorneem. Willen is dus meer dan een intentieverklaring. Zeg ik herhaaldelijke keren dat ik iets wil, terwijl ik de daad niet bij het woord voeg, dan krijg ik vroeg of laat te horen dat mijn willen niet echt is, of toch ten minste niet geloofwaardig. Mijn ‘willen’ is dan bluffen of opscheppen. Wil ik iets en handel ik niet naar die wil, dan kan ik uiteraard allerlei excuses verzinnen om te vertellen waarom ik niet doe wat ik wil. Dit willen verdient die naam niet. Het eigenlijke willen is willen handelen en is willen dat de wil in de handeling tot vervulling komt – de wil vraagt om de uitvoering, het tegendeel kunnen we ons niet als een willen voorstellen. In mijn willen bereid ik mijn handelen voor en het is uiteindelijk in de handeling dat ik mijn willen voltooi. Handelen en willen impliceren elkaar, waarmee ik geenszins stel dat ze aan elkaar gelijk zijn. Ik kan het sterke voornemen hebben iets te doen, ik kan dit willen, maar de handeling (om welke reden ook) toch niet uitvoeren. De act van het willen is dan onvoltooid. Niettemin blijft het willen de noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde voor het handelen. Pas in het handelen vervul ik mijn willen, zodat de handeling steeds de wil impliceert. De handeling is dan voldoende reden om te stellen dat er een wil was en die wil heeft gewerkt.
 
Nu zien we wel in dat het ons niet altijd lukt datgene te doen wat we willen, zelfs al zijn we van oordeel dat willen in beginsel in een handelen uitmondt. Externe factoren of foutieve inschattingen van onze mogelijkheden kunnen beletten dat een wil tot vervulling komt. Door allerlei redenen kunnen we falen. Wellicht kan niemand alles doen wat hij wil – dat zullen we ook niet altijd betreuren.
 
Vooronderstelt nu elk handelen een wilsdaad? In de alledaagsheid nemen we dat aan, en dit zonder een eindeloos dispuut over begripsbepalingen op gang te brengen. In deze aanname zal het dan ook wel zijn dat we, in het alledaagse bestaan, niet altijd echt handelen, maar wel veel doen. In allerlei domeinen zijn we bedrijvig zonder daar lang bij stil te staan of zonder dit nadrukkelijk binnen een intentionaliteit te thematiseren of te verwoorden. We hebben wel een en ander bedacht en beslist en we zijn er ons van bewust dat wat we ten gevolge van die beslissing doen, niet zo maar iets irrationeels is, ook niet iets dat we een louter automatisme noemen, maar een doen dat we op ons nemen. Hieruit ontstaan onze gewoontes; de daden die ermee zijn verbonden noemen we ‘routineus’. We willen iets bereiken, beheersen de situatie omdat we de omstandigheden, door ervaring, spontaan kunnen inschatten en doen ten slotte datgene wat we van plan waren. Veel van onze dagelijkse operaties zijn van die aard. We hoeven niet steeds opnieuw een uitdrukkelijk proces van afwegen te doorlopen om een besluit, zoals het kopen van een krant of het tijdig halen van een trein, tot stand te brengen. Al zal de actor van deze operatie wel doorgaan als verantwoordelijk voor wat hij doet, toch geldt zo’n operatie niet als handeling in de strikte zin van het woord, omdat we de handeling opvatten als het resultaat van een gedachte die een vrije en zelfstandige beslissing heeft gevoed. In de gewoontes ontsnappen de operaties echter niet aan de verantwoordelijkheid, omdat onze vrijheid niet is opgeheven. Hoe hardnekkig onze gewoontes ook moge zijn, we geloven nog steeds dat we ze met onze inzet kunnen doorbreken. Zodra we echter vaststellen dat gewoontes dwangmatig zijn geworden, voelen we ons onvrij, omdat datgene wat we doen buiten de sfeer van ons handelen valt.

Het willen past in iemands leven

In mijn analyse van de wilshandeling mag ik natuurlijk de subjectieve factor niet vergeten. Wie is de willende persoon? Wat moeten we van iemand vooronderstellen dat hij een willend wezen zou zijn, iemand die wil uitvoeren wat hij wil? Zodra we de notie ‘wil’ hanteren, gaan we, dat is mijn stelling, al uit van de vrijheid en van het oordeelsvermogen van de betreffende persoon. Wie iets wil, weet wat hij wil en heeft een inzicht in de situatie, en is bovendien vrij. Zo iemand schrijven we – in zijn willen – geen grillen of neigingen toe, dat zou contradictorisch zijn, ook niet dat hij de speelbal is van hartstochten of irrationele krachten. Neen, we vooronderstellen redelijkheid en vrijheid, ook het praktische inzicht dat in het Grieks phronèsis en in het Latijn prudentia heet. Dit brengt met zich mee dat de persoon die iets wil in de eerste plaats zelfstandig is in de uitvoering van zijn beslissing. Zijn wil is autonoom; hij bepaalt, met andere woorden, zichzelf. In die zin impliceren handelen en willen elkaar (zonder aan elkaar gelijk te zijn) en zijn zij zijnswijzen van de vrijheid. Vooronderstellen we die dimensies van de werkelijkheid niet, dan hebben we het ook niet over willen handelen in het menselijk gedrag. Dit is nu niet zo maar een formele begripsbepaling waarbij we, als in een vrijblijvend spel, arbitrair met bepaalde woorden bepaalde betekenissen verzinnen en verbinden – die woorden en betekenissen zijn er natuurlijk – maar is een gegeven van de ervaring, van het besef en van de overtuiging, gedragen door het inzicht dat willen en handelen samenhangen in de zijnswijzen van de vrijheid. Dat lijkt ons de fenomeenervaring te zijn van de eenheid van inzien en beslissen, van willen en handelen, van autonomie en vrijheid die we begrijpen als we in een gegeven situatie – en dus praktisch – op het fenomeen van het willen handelen botsen. Hoewel we de notie ‘vrije wil’ gebruiken, is hij een tautologie.

In dit perspectief is de wilsaanspraak van het vierjarig kind bijzonder interessant. Het kind ‘zegt’ wel dat het iets wil, maar weet het wel of haar wil een wil is? In de alledaagsheid nemen we de wil van het kind zeker niet altijd ernstig, omdat we deze – en dit niet ten onrechte – meestal als een gril of als een uitgesproken wens opvatten. Dat mogen we echter niet volhouden.
 
Nemen we het kind wel ernstig, dan moeten we geloven dat het op een bepaald ogenblik echt kan willen – al gebeurt dit niet zo vlug of zo duidelijk. Voor de ethicus is dit niet zo eenvoudig. Conceptueel en in een zuivere fenomenologie houdt hij geen rekening met de leeftijd of met de maturiteit van degene die zegt dat hij iets wil. In de reflectie gaan we wellicht te gemakkelijk uit van ideaaltypes, die we slechts zelden in hun zuiverheid kunnen beschrijven. Hebben we daartegenover een dynamische antropologie voor ogen en situeren we het gedrag in de concrete existentie van de levensgeschiedenis van een persoon, dan hanteren we een andere fenomenologie. We geven daarom de voorkeur aan een uitleggende en liefst vertellende fenomeenbeschrijving die rekening houdt met contexten en perspectieven, met de intriges en de mise-en-scènes van het alledaagse leven waarin opgroeiende kinderen, op weg naar de maturiteit, zich inpassen. In zo’n praktische fenomenologie zien we niet alleen hoe personen iets willen, maar ook hoe kinderen hun willen ontwikkelen: ze leren willen, ze maken van het willen – dat ze aanvankelijk bij anderen onderkennen en zien – een ‘werkstuk’ dat ze zich eigen maken. Ze geven te kennen dát ze willen, dat ze het willen zélf willen, als iets van henzelf, en natuurlijk dat zij dat mogen in de zin van vermogen – zij vermogen te willen.

Het (vrije) willen moeten we leren

We kunnen de uitspraak van het vierjarig meisje nu aldus begrijpen. Ze wil naar buiten en niet aan tafel zitten, ze zegt dat ze dat wil en bijgevolg zegt ze dat ze mag. Natuurlijk bedenkt ze en bedoelt ze dat ze buiten mag spelen. Ze bedoelt ook dat haar willen een toelating inhoudt; ze poneert haar zelfstandigheid en geeft zichzelf de toelating. Als ze nu zegt dat als ze (iets) wil ze tegelijk (iets) mag, getuigt ze bovendien – en dit wellicht zonder veel reflectie of thematisering – van haar vermogen te willen: ‘Ik wil, dus vermag ik (dat willen).’ Hebben we dan al met een authentiek willen te maken? Haalt de gril het wel vaak op de wil, we nemen aan dat de wil zich ontplooit. We kunnen ook aannemen dat haar woordkeuze nog niet of niet altijd correct is en dat ze meer dan eens een wens met een wil verwart. Moet ze nog veel leren, ze heeft zich hoe dan ook het werkwoord ‘willen’ eigen gemaakt. Zo’n ontluiken verloopt niet altijd zonder de moeite, zoals elke ouder met empathie kan vaststellen. Elk kind dat leert spreken, plukt uit het bos van in de omgeving gehoorde woorden en stelt op die manier zijn woordenschat samen. Het eigent zich veel woorden toe – het wekt verbazing hoeveel er in een week zijn – en is inzake uitspraak en betekenis aanvankelijk niet heel kieskeurig. Door herhaaldelijk en soms moeizaam gebruik, door gehoorde correcties aangemoedigd, gaat dit kind het juiste semantische gebruik bijstellen en zelfs nieuwe combinaties uitproberen. Woorden worden concepten. Naar gelang het kind meer levenservaring verwerft, krijgen de woorden steeds maar meer en rijkere connotaties – en omgekeerd: een rijke taalgebruik creëert meer kansen op ervaring. Voor het thema dat ons hier interesseert: er zullen steeds maar meer ‘taalspelen’ of ‘levensvormen’ zijn waarin het werkwoord ‘willen’ een plaats krijgt en duidelijk van andere woorden wordt onderscheiden. Naar gelang het rijke kleurenpalet aan inzichten zal het kind, of de persoon die niet langer een kind is, meer keuzes maken en levensvormen selecteren waarin ‘willen’ juist wel en juist niet, of heel genuanceerd van toepassing is.

Hierover valt natuurlijk meer te vertellen, maar nu volstaat het te stellen dat geen kind iets wil zonder het woord ‘willen’ in de mond te nemen, zonder de kennis van het woord te exploreren, zonder zich te oefenen in het formuleren van het woord, zonder blijk te geven dat haar woordgebruik consistent is, zonder aandacht te schenken aan het feit of anderen haar wel verstaan.

Betekenis van de context

Het klankbord van de ander is voor de draagwijdte van het zich ontwikkelende willen heel belangrijk. In onze wilsexpressies getuigen we niet alleen dat het willen tot onze mogelijkheden behoort, we laten ook blijken dat we willen gehoord worden, dat we er zijn, dat we meetellen. Als we onderkennen dat de werkelijkheid van het willen aan ons ‘persoon zijn’ inherent is, houdt dat niet in dat dit willen er door ons en voor ons alleen is. Een persoon worden we in een gemeenschap, in het leven met anderen en tussen anderen die ons begeleiden. Die anderen begeleiden ook ons willen en stellen hun willen tegenover ons willen. Omdat ouderen weten dat de persoonlijke wil van hun kind een willen in ontwikkeling is, vragen ze zich natuurlijk af hoe en wanneer ze dit willen ernstig moeten nemen. Ze zien hun kind in het perspectief van de volwassenheid en aanvaarden dat de echte wil zich ontwikkelt. In de praktijk van de opvoeding leeft het vertrouwen dat het oneigenlijke gebruik van het woord ‘willen’ zich tot een authentiek gebruik zal ontwikkelen, dat wil zeggen dat het woord ‘wil’ naar ‘vrije wil’ gaat verwijzen. Veel gebeurt in het leven in huis, in de relatie tussen het meisje dat zichzelf poneert en de ouders die haar corrigeren of aanmoedigen. De sceptische filosoof blijft langer stil staan bij de mogelijkheden en de voorwaarden en herinnert zich de eeuwenoude waarschuwingen tegen het toegeven aan de neigingen. Hij weet dat we in deze zaken alleen vermoedens hebben, nooit bewijzen.
 
Het is me natuurlijk niet om anekdotes te doen, het huiselijk uitgangspunt is niettemin exemplarisch. Het willen staat niet op zichzelf. Als we willen, willen we iets. Bovendien willen we iets in een context waaruit de anderen niet zijn weg te denken. Het gaat daarbij om anderen die ons willen mogelijk maken (of mogelijk hebben gemaakt), maar die tegelijk een eigen willen hebben waarmee ze ons confronteren. Die anderen maken ons duidelijk wanneer ons willen een echt willen is en wanneer ons willen onredelijk is. De paradox is dat die ander zowel ons willen mogelijk maakt als inperkt. Die ander roept ons een halt toe. Hiermee zien we ons willen niet als een willen van een individu dat ‘op zich’ staat, alleen met zichzelf. Ons willen is het willen van een persoon die in en door de wereld is gevormd. Het fenomeen van het willen ontdekken we dus niet door wat we innerlijk als iets op zich zouden koesteren, daarentegen ontdekken we dit willen als fenomeen als we het als een concrete zijnswijze onderkennen, in ons gedrag, in het handelen, in de wereld die we met anderen delen. Ons willen delen we met anderen.

In het leren willen eist het vierjarig meisje haar zelfstandigheid op, ze houdt zich voor dat zij de enige autoriteit is die zichzelf iets te vergunnen heeft – ‘Ik wil, dus mag ik!’ In dit willen botst ze echter met de weerbarstige wereld die, met zijn verboden, voor haar wel eens vijandig zal ogen. De wereld geeft haar zowel het geschenk van het willen als de roe van het straffen. We kunnen dit alleen maar toejuichen. We juichen voor het geschenk van het willen; we juichen voor het reguleren van het willen, want wie alles wil wat hij kan, is een gevaarlijk man. Zo leert dat meisje zich – zo leren wij allen ons – in de wereld oriënteren, zich oefenen in de (moeilijke) vrijheid om aan het goede leven te participeren.