Home Een verlangen naar niet-zijn

Een verlangen naar niet-zijn

Door Marco Kamphuis op 26 februari 2013

03-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

Filosoof-schrijfster Patricia de Martelaere dacht altijd aan de dood. En toen ze trouwde, was dat met een man die de nachtboot naar Engeland nam en daar nooit aankwam.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Patricia de Martelaere (1957-2009) was uitzonderlijk begaafd. Op haar 27ste promoveerde ze cum laude in de filosofie en voor haar twintigste had ze al tien romans geschreven; tussen de bedrijven door leerde ze piano, viool, gitaar en harp spelen. In interviews heeft De Martelaere gezegd dat ze als kind geobsedeerd was door schrijven: ‘Ik had zo’n zin dat ik in de wieg al schreef.’ Haar eerste roman voltooide ze toen ze negen was. Haar vijfde roman werd gepubliceerdtoen was ze dertien.

Schrijfster en literatuurcriticus Marja Pruis vermeldt deze gegevens in het begin van haar monografie Als je weg bent. Inderdaad opmerkelijk, denkt de lezer, en de ongetwijfeld kinderlijke inhoud van die jeugdboeken doet daar niets aan af. Mis. Pruis heeft een exemplaar van het gepubliceerde boek  te pakken gekregen en schrijft: ‘Ieder die dit boek met stijgende ontzetting heeft gelezen kan niet anders dan compleet paf staan en deemoedig het hoofd buigen. Met het gemiddelde gepruts van een schrijflustige adolescent heeft Koning der wildernis al helemaal niets te maken.’ En de fragmenten die ze citeert bewijzen dat De Martelaere op ijselijk jonge leeftijd niet alleen prima kon schrijven, maar ook beschikte over een scherp waarnemingsvermogen en een filosofische geest. Dat ze zou uitgroeien tot een van de beste essayisten van ons taalgebied wekt achteraf geen verwondering.

Een kinderboek is het bepaald niet waaruit Pruis citeert. Het hoofdpersonage, een leeuw, zoekt na allerlei grimmige avonturen verlossing in de dood. Daar heeft de dertienjarige auteur al meteen haar grote thema te pakken. Later zal ze in een interview verklaren dat ze altijd aan de dood denkt, en dat ook altijd heeft gedaan.

Beruchte tegenzin
De Martelaere was nog geen twintig toen ze de man leerde kennen die haar echtgenoot en de vader van haar twee kinderen zou worden; bij die eerste ontmoeting sprak hij al over zelfmoord. De toedracht van zijn dood is lang vaag gebleven, door de beruchte tegenzin waarmee de schrijfster over haar persoonlijk leven sprak. Hier en daar ving Pruis flarden informatie op, die ze de lezer successievelijk presenteert, waarmee ze de spanning in haar uitermate leesbare boek opvoert. Het komt erop neer dat de man van Patricia de Martelaere, een officier in het Belgische leger, de nachtboot naar Engeland heeft genomen, maar daar nooit is aangekomen. Hij is overboord gevallen, of gesprongen, en dat laatste is het meest aannemelijk.

In het essay ‘De levenskunstenaar. Naar een esthetica van de zelfmoord’ belicht De Martelaere zelfmoord als een creatieve daad. ‘Men stelt zich de klassieke zelfmoordenaar vaak voor als de sombere eenzaat van het melancholische of depressieve type, de volstrekt humorloze apathicus, de kniezer en piekeraar […] In werkelijkheid is wat men met een geleerde term de “suïcidale persoonlijkheid” heeft genoemd eerder van het energieke, vitale, overactieve type, ambitieus en prestatiegericht, succesrijk en niet zelden uitgesproken briljant.’ De ellende met de dood is dat hij meestal op het verkeerde moment komt, waardoor je met losse eindjes blijft zitten. Zelfmoord daarentegen is ‘een waarachtige voltooiing – ze maakt het leven letterlijk af op een zelfgekozen ogenblik, op een zelfgekozen manier, en nadat alles wat men nog had willen doen ook werkelijk is gedaan’. Met terugwerkende kracht maakt de zelfmoordenaar van zijn leven een hecht gecomponeerd verhaal met een noodzakelijke afloop. De zelfmoord kan worden gezien als een artistiek ideaal, en de zelfmoordenaar heeft in zijn karakter verdacht veel weg van een schrijver. (De Martelaere onderkent overigens dat er ook mensen zijn die op heel andere gronden suïcide plegen, of zelfs zonder grond, in een impuls.)

Pruis schrijft: ‘Het is niet heel vergezocht om te vermoeden dat ze het in dit essay ook over zichzelf heeft. Dat er voor haar iets in het schrijven is wat haar doet afzien van zelfmoord.’ De Martelaere zou op 51-jarige leeftijd overlijden aan de gevolgen van kanker.

In haar essays baseert de schrijfster zich vaak op Freud. Zo haalt ze herhaaldelijk zijn theorie van de doodsdrift aan, die luidt dat een levend wezen ten diepste streeft naar een opheffing van alle spanning. In het essay ‘Een verlangen naar ontroostbaarheid’ maakt ze in navolging van Freud een onderscheid tussen rouw en melancholie, waarbij de eerstgenoemde toestand een normale, en de tweede een pathologische reactie op een zwaar verlies is – melancholie moeten we in dit verband opvatten als een depressie. Gewone rouw is een proces dat ertoe leidt dat de getroffene de realiteit (een geliefde is overleden of heeft de relatie verbroken) onder ogen ziet. Het is een traag en pijnlijk proces, maar uiteindelijk herwint de getroffene zijn levenslust. De melancholicus klampt zich echter aan de verloren geliefde vast; hij is en blijft ontroostbaar. Deze ziekelijke reactie heeft bepaalde voordelen. De Martelaere schrijft: ‘Door ontroostbaar te worden maakt de melancholicus zichzelf in zekere zin ook onkwetsbaar: niets vanuit de buitenwereld kan hem nog ongelukkig maken, hij is het vanzelf al, uit zichzelf al.’ Tot zover volgt ze Freud. Maar misschien gaat het in die vreemde gehechtheid aan het lijden ook nog om iets anders, voegt ze eraan toe. De melancholicus wil ‘met zijn ontroostbaarheid de absoluutheid bewijzen van datgene wat hij verloor’. Een normaal rouwproces eindigt in een soort ontrouw aan de verloren geliefde – het leven gaat door, nietwaar? Voor de melancholicus is dat volstrekt onaanvaardbaar. Als je na verloop van tijd weer zin krijgt in het leven, als je misschien zelfs – God verhoede – opnieuw verliefd wordt, moet je concluderen dat die eerste geliefde vervangbaar was, en geenszins de Absolute Liefde.

‘Desperaat verliefde’
Pruis schrijft dat ze dit essay aanvankelijk opvatte als geschreven door iemand die in de rouw is. Later begon haar te dagen dat het ook van de hand van ‘een desperaat verliefde’ kon zijn. Daarmee komen we op de geheime relatie die De Martelaere had met Hugo Brems, hoogleraar Nederlandse letteren te Leuven. Toen Brems de verhouding afkapte omdat zijn vrouw erachter was gekomen, bleef De Martelaere hem achtervolgen. Brems was haar grote liefde. Tien jaar later publiceerde Brems een literatuuroverzicht waarin hij het oeuvre van zijn vroegere minnares opzettelijk over het hoofd zag. Diep gekwetst onthulde De Martelaere – ‘een gevaarlijke vrouw’ volgens sommigen die haar kenden – daarop het geheim van hun affaire. De door Pruis gepubliceerde mailberichten waarmee De Martelaere probeerde Brems’ reputatie te schaden, zijn ontluisterend. De schrijfster die altijd als schuw bekendstond, onhandig in haar omgang met de media, blijkt journalisten bekwaam te hebben bespeeld, waarbij ze het met de waarheid niet zo nauw nam. Haar wraakzucht is des te opmerkelijker omdat haar filosofische omslag van ‘de passie voor het alles’ naar ‘de passie voor het niets’ dan al heeft plaatsgevonden: ze heeft Taoïsme gepubliceerd, die prachtige inleiding in de filosofie van het volgen van de stroom, een boek dat doet vermoeden dat de auteur ervan fikse schreden op het pad van de onthechting heeft gezet.

Marja Pruis behandelt kort de romans en belangrijkste essays van De Martelaere. Het beeld dat oprijst van De Martelaere als persoon is niet overdreven vleiend. Hoewel Pruis er niet op uit is de schrijfster van haar voetstuk te halen, is in haar boek de typische ambivalentie merkbaar van biografen die uit oprechte bewondering aan hun onderzoek begonnen zijn en gaandeweg een tikje ontnuchterd zijn geraakt. De positie van Pruis is des te lastiger omdat ze voor haar project afhankelijk was van informanten die haar steeds op het hart drukten ‘terughoudend’ te werk te gaan. Pruis vermeldt dit met zoveel nadruk dat het als een verontschuldiging tegenover de lezer klinkt; vermoedelijk heeft ze zich genoodzaakt gevoeld De Martelaere en haar omgeving in bescherming te nemen. Als Pruis de weinige informatie waarover ze beschikte (‘Hield ze een dagboek bij? Ik weet het niet’) niet vrijelijk kon delen, waarom heeft ze dan toch een biografisch getint boek willen schrijven? Had ze zich niet tot het oeuvre kunnen beperken? Dat zou helemaal in de geest van De Martelaere zijn geweest. Daarover schrijft Pruis: ‘Waarom kunnen we [schrijvers] niet met rust laten? Waarom zijn de boeken niet voldoende? […] Misschien is dat de paradox: als een boek je iets doet of zegt, iets wat uitstijgt boven het interessante, knappe, mooie […] dan wil je weten wie de schrijver is. Dan wil je alles van die persoon weten, of in ieder geval íéts.’