Home ‘Dit is mijn coming-out als lummel’

‘Dit is mijn coming-out als lummel’

Door Frank Meester op 30 januari 2014

Cover van 02-2014
02-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

In zijn nieuwste boek Vis in bad onderzoekt schrijver-bioloog Tijs Goldschmidt (61) zijn behoefte aan luieren. ‘Ik heb een uitgesproken voorliefde voor het nutteloze: voor kunst, voor nietsdoen, voor spelen, rusten en slapen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wat kan ik weten?
‘Je kunt inmiddels zeker weten dat Darwins evolutietheorie het ontstaan van de soorten op de juiste manier verklaart. Ooit kon je nog volhouden dat de evolutietheorie in strikt wetenschappelijke zin niet was bewezen, maar inmiddels zijn er veel overtuigende argumenten, zowel vanuit het laboratorium als vanuit het veld. Natuurlijk, alle wetenschap is hypothese, maar deze is wel erg aannemelijk. Ik begeef me overigens niet uitsluitend op dit zekere pad, maar verkeer meer in de marginale gebieden tussen kunst en wetenschap, tussen alfa, bèta en gamma. Voor een van de essays uit Vis in bad onderzocht ik orkadialecten. Orka’s zijn net als mensen kosmopolieten: je vindt ze overal – uiteraard alleen in het water –, en op al die plekken hebben ze weer een ander repertoire aan liedjes waarmee ze communiceren. Die liedjes lijken sterk op de menselijke taal, die ook van ouder op kind wordt overgedragen en verschilt per gebied. Het vermogen van de orka om te zingen is genetisch bepaald, maar wat ze zingen is cultureel van aard. Hoe meer ik me in de compositie van de orkaliederen verdiepte, des te sterker ik moest denken aan de poëzie van Kees Ouwens, en hoe intenser ik me vervolgens in zijn gedichten verdiepte, des te meer ik me ervan bewust werd dat Kees Ouwens ooit als orka moet zijn begonnen voordat hij mens werd. Het is wel duidelijk dat ik daarmee wat ben afgeweken van de weg der orthodoxe wetenschap. Ik creëer graag mijn eigen intellectuele territorium waar ik volop kan experimenteren en mijn verbeelding kan gebruiken zonder me zorgen te hoeven maken over bewijsbaarheid en peer reviews. Ik ben erop gespitst om fenomenen uit verschillende gebieden onder één noemer te brengen en zo tot nieuwe inzichten te komen, of vragen op te roepen. Daarbij heb ik nauwelijks wetenschappelijke pretenties. De wetenschap is mooi, maar je kunt als onderzoeker nooit eens iets persoonlijks of geestigs opschrijven.’
 
Wat moet ik doen?
Vis in bad is mijn coming-out als lummel. Mijn vader kon over mensen zeggen: “Die werkt zich dood”, en dat bedoelde hij dan als een compliment. Lang heb ik gedacht dat je inderdaad altijd zo hard moest werken als je kon. Maar ik ben steeds meer het belang gaan inzien van lummelen. Ik blijk een uitgesproken voorliefde te hebben voor het nutteloze: voor kunst, voor nietsdoen, voor spelen, rusten en slapen. Ik zou best van november tot maart een winterslaap willen houden. Veel mensen worden in die donkere tijden wat somber of zelfs depressief. Depressie wordt altijd als een defect, een ziekte, gezien, maar is dat wel zo? Zou het niet het restant van een biologische aanpassing kunnen zijn aan barre omstandigheden? Er zijn in elk geval tal van overeenkomsten tussen de toestand van depressiviteit en die van een beer in winterslaap.

Door te associëren, wat te spelen met verschillende disciplines, kom je soms tot originele oplossingen. Wat dat betreft ben ik echt een essayist: ik probeer maar wat en weet meestal zelf niet waar ik uit zal komen. Het is belachelijk om te zeggen: vandaag krijg ik een briljant idee. Zo werkt het niet. Je kunt hoogstens een gunstige situatie creëren – lummelcondities scheppen – en dan hopen dat er iets gebeurt. In die zin lijken culturele en biologische evolutie sterk op elkaar. De omgeving is gegeven en dan is het wachten op mutaties; die moeten zich vervolgens bewijzen. De relatief gunstige verbreiden zich efficiënter.’
 
Wat mag ik hopen?
‘Onderzoekers kunnen een oog laten ontstaan op de vleugel van een bananenvliegje. De genetici beginnen er echt iets van te begrijpen. Ik geloof niet in een goddelijke ordening. Dus wat mij betreft mogen we het leven van mensen, dieren of planten best verbeteren en dus veranderen. Dat geeft fantastische mogelijkheden. Het probleem is wel dat de ethiek hopeloos achterloopt op de wetenschap. Je weet niet wat ze nu al in Noord-Korea aan het sleutelen zijn. In China, waar ze ooit zo anti-Darwin waren, zijn ze nu ook als gekken genetisch aan het manipuleren. Wat ik hoop is dat al die mogelijkheden op een verstandige manier worden benut. Ik hoop ook dat er voorzichtiger wordt omgesprongen met de biologische diversiteit. Het was vanuit commercieel oogpunt slim, tenminste op de korte termijn, om de nijlbaars los te laten in het Victoria-meer, maar ecologisch gezien was het bijzonder dom.’

Wat is de mens?
Homo sapiens vormt de grootste plaag van dit moment. Deze invasieve soort penetreert alle uithoeken van de aarde en verandert die ingrijpend. Het zijn slimme nijlbaarzen op pootjes. Waarom staat niet bovenaan op elk prioriteitenlijstje: houd de wereldbevolking in toom? Dat zou talloze ernstige problemen kunnen voorkomen: gebrek aan ruimte, voedsel en drinkwater. Zeker binnen de groep van primaten, waartoe mensen behoren, is dit nooit vertoond. Aan de andere kan stelt het aantal mensen natuurlijk niets voor vergeleken bij de hoeveelheid micro-organismen. Dit is een bacteriële wereld, schreef Stephen Jay Gould. Door ons antropocentrisme zijn we geneigd dat te vergeten.  

Mensen zijn vooral cultuurdieren, orka’s in het kwadraat, met razendsnel accumulerende kennis en cultuur. Al zijn de verschillen gradueel, zo vind je het bij geen enkel ander dier. Mensen zijn slim, kunnen zich gemakkelijk verplaatsen en doen het goed op de grens van land en water. Misschien zijn dat wel enkele van de factoren die het succes van deze primaat bepalen. Maar behalve in nadenken, in problemen oplossen, zijn mensen eigenlijk nergens echt goed in. Daarom hebben voor mij de Olympische Spelen iets potsierlijks. Atleten sloven zich uit, trainen jarenlang, maar een dolfijn zwemt sneller, een cheeta rent harder en een olifant heft met gemak meer gewicht dan de sterkste mens. Mensen zijn voor mij vooral de moeite waard als ze elkaar helpen, of als ze scheppen, met kunst bezig zijn.’