Home Deliberatie zonder representatie?

Deliberatie zonder representatie?

Door Stefan Rummens op 06 november 2014

Cover van 04-2011
04-2011 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

In juni 2011 lanceerde een aantal Belgische prominenten en academici, onder aanvoering van auteur David Van Reybrouck, het G1000-project. Dit initiatief heeft tot doel om in november 2011 duizend willekeurig gekozen Belgische burgers van beide kanten van de taalgrens bijeen te brengen in Brussel om een hele dag samen te discussiëren over de toekomst van België. Vervolgens zal een kleinere groep van geselecteerde burgers meer concreet uitwerken hoe de prioriteiten die uit deze discussie of ‘deliberatie’ naar voor komen het best gerealiseerd kunnen worden. Onder het motto ‘als de politici er niet uitgeraken, laat de burgers dan beraadslagen’ probeert het initiatief een bijdrage te leveren aan het doorbreken van de huidige impasse in de Belgische politiek, waarbij de verkozen politici er nu al meer dan een jaar lang niet in slagen om een regering te vormen of om een akkoord te sluiten over een nieuwe fase in de staatshervorming.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De initiatiefnemers wijzen er in hun manifest op dat de ‘crisis van de representatie’ die ze in België vaststellen niet uniek is voor dit land maar wijdverspreid is. Het huidige representatieve systeem, waarbij de burgers enkel om de vier of vijf jaar bij verkiezingen politiek geactiveerd worden, heeft volgens hen zijn grenzen bereikt. Onder meer omwille van de ontzuiling en de opkomst van de nieuwe media, die de politieke kennis en mondigheid van de burger sterk hebben vergroot, is die burger niet langer bereid om zich in zijn passieve rol te schikken en vraagt hij meer inspraak. Omgekeerd weet de verkozen politicus zich ook steeds meer opgejaagd door die mondige burger en moet hij, na het verdwijnen van de mediërende zuilen die het partijlandschap structuur en stabiliteit brachten, op steeds rustelozer wijze op zoek naar electorale steun. Dat politici zich in die jacht op stemmen vaak laten leiden door ongenuanceerde en radicale beloftes, hypothekeert daarbij meer en meer het normale politieke bedrijf na of tussen de verkiezingen.

Hoewel de mensen achter het G1000-project dus kritisch zijn ten aanzien van de representatieve democratie, is hun kritiek niet radicaal. Ze lijken te aanvaarden dat het project dat zij opzetten geen volwaardig alternatief maar eerder een complementaire aanvulling kan en moet zijn voor de normale representatieve politiek. Zelf spreken ze daarbij over een ‘genereus gebaar van de burgerbevolking naar de partijpolitiek’. Maar waarin bestaat dat ‘genereus gebaar’ eigenlijk? Waarin schuilt de democratische kwaliteit van een dergelijke ‘burgerjury’ van 1000 mensen? Maar ook: wat zijn nu precies de beperkingen van zo’n initiatief en waarom kan een deliberatie tussen een beperkte groep van burgers de representatieve politiek, waarbij álle burgers het recht hebben om te stemmen, nooit volledig vervangen?

Van ideaal naar institutionalisering

Hoewel de G1000 voor de Belgische publieke opinie de eerste kennismaking vormt met de praktijk van de ‘burgerjury’ (waarbij een beperkte groep willekeurig gekozen burgers bijeen komt om te delibereren en zich uit te spreken over een of ander beleidsvraagstuk) is dit fenomeen zeker niet nieuw. In een heel aantal landen is de voorbije vijftien jaar al behoorlijk wat ervaring opgebouwd met dit soort initiatieven waarbij burgerjury’s zich hebben mogen uitspreken over zowel meer lokale als over belangrijke nationale kwesties, zoals de hervorming van de kieswet (Canada) of zelfs het ontwerp van een nieuwe grondwet (IJsland). Wel te verstaan wordt de uitkomst van deze deliberaties daarbij zelden of nooit rechtstreeks omgezet in beleid, maar fungeert ze eerder als een meer of minder bindend advies aan beleidsmakers en/of als een meer of minder gemediatiseerde inbreng in het publieke debat.

De opkomst van dergelijke burgerjury’s in de politieke praktijk is sterk bepaald door de opkomst van het deliberatieve model van democratie binnen de academische wereld. Vanaf het eind van de jaren tachtig ontwikkelden auteurs als Jürgen Habermas (1992) in Europa en Joshua Cohen (1997), Amy Gutmann en Dennis Thompson (1996) in Amerika een nieuwe visie op democratie waarbij de vrije en redelijke deliberatie tussen burgers een centrale rol speelt. Habermas, bijvoorbeeld, stelt daarbij voorop dat politieke beslissingen maar democratisch legitiem zijn voor zover ze gebaseerd zijn op een redelijke overeenstemming die bereikt wordt in een inclusieve en machtsvrije deliberatie tussen alle burgers die de mogelijke gevolgen van die politieke beslissingen zullen moeten ondervinden.

Hoewel het heel sterk de nadruk legt op de procedure van de democratische besluitvorming – de deliberatie – , is het dit model uiteindelijk te doen om de substantiële kwaliteit van de besluiten zelf. Immers, zoals Habermas uitgebreid beargumenteert, is een machtsvrije deliberatie tussen alle betrokkenen de enige manier om te komen tot politieke beslissingen die op een onpartijdige manier rekening houden met de legitieme belangen en waarden van alle burgers. Te kort samengevat komt de argumentatie van Habermas erop neer dat alleen een dergelijke inclusieve deliberatie in staat is om enerzijds alle relevante noden, voorkeuren en waarden van de burgers te traceren en om, anderzijds, die voorkeuren en waarden doorheen de discussie ook dusdanig te transformeren dat ze verenigbaar zijn met de rechtmatige voorkeuren en waarden van alle andere burgers. De deliberatie is, met andere woorden, een wederzijds leerproces waarbij burgers overleggen om te komen tot een redelijke invulling van het algemeen belang die op onpartijdige en evenwichtige wijze tegemoet komt aan de rechtmatige verzuchtingen van alle betrokkenen (Rummens 2005).

Na de eerste theoretische fase heeft het deliberatieve paradigma eind jaren negentig een empirische wending doorgemaakt waarbij men het uitgetekende theoretische ideaal in de praktijk wilde toepassen (Thompson 2008; Goodin en Dryzek 2006). Daarbij zijn twee ontwikkelingen relevant. Ten eerste zijn empirische politicologen begonnen te experimenteren met deliberaties tussen kleine groepen burgers om te bekijken hoe ze de deliberatieve kwaliteit van dergelijke discussies konden meten en om te zien of het hooggestemde ideaal van een redelijke en machtsvrije deliberatie waarbinnen alle deelnemers gelijke kansen krijgen om aan het debat te participeren ook in werkelijkheid te benaderen valt. Hoewel de resultaten van dat onderzoek soms ambigu zijn en het duidelijk is dat bepaalde ongelijkheden (bijvoorbeeld tussen mannen en vrouwen of tussen mensen uit hogere en lagere klassen) moeilijk te elimineren vallen, zijn de resultaten toch niet ontmoedigend. Uit de praktijk blijkt dat gewone burgers zonder veel voorkennis toch in staat zijn om zich in relatief korte tijd in complexe materies in te werken en daarover op een relatief hoogstaande en inclusieve manier met elkaar in debat te gaan. Ten tweede zijn de academici er ook in geslaagd, zoals al eerder aangegeven, om beleidsmakers warm te maken voor het inzetten van dergelijke burgerjury’s binnen het feitelijke proces van de democratische besluitvorming. Net zoals in sommige landen, waaronder België en de Verenigde Staten, bij rechtszaken een beroep wordt gedaan op volksjury’s om de legitimiteit van de rechtspraak te versterken, is het de bedoeling om door het inzetten van burgerjury’s ook de legitimiteit van de politieke besluitvorming te verhogen. Meer specifiek hoopt men dat burgerjury’s in staat zouden zijn om het hooggestemde ideaal van deliberatieve democratische legitimiteit ook echt te benaderen en dat ze dus zouden kunnen komen met onpartijdige beleidsvoorstellen die daadwerkelijk op een evenwichtige manier rekening houden met de rechtmatige belangen en noden van alle betrokkenen. In dit verband zou het ‘genereuze gebaar’ van de G1000 aan de partijpolitiek een ‘redelijk’ voorstel kunnen zijn over de toekomst van België dat in principe gedragen zou moeten kunnen worden door een grote meerderheid van de Belgische bevolking.

Hoewel het deliberatieve paradigma ook in zijn empirische wending relatief succesvol is gebleken en het inmiddels zonder meer is uitgegroeid tot het dominante paradigma binnen de democratietheorie, botst het deliberatieve model vandaag toch weer op zijn eigen grenzen. Het grote probleem dat zich aandient is uiteraard het probleem van de schaal. Zowel de empirische wetenschappers als de beleidsmakers hebben zich immers gericht op kleine groepen van burgers die in gecontroleerde omstandigheden met elkaar delibereren. Het theoretische ideaal stelt echter uitdrukkelijk dat deliberatie zou moeten plaatsvinden tussen alle betrokken burgers en voor vele beleidskwesties zijn dat al snel alle burgers van het land. Waar empirische wetenschappers steeds beter grip krijgen op de parameters die de deliberatieve kwaliteit bepalen van kleinschalige deliberaties tussen hooguit enkele tientallen mensen, hebben ze er geen flauw idee van hoe ze de deliberatieve kwaliteit van het meer omvattende democratische systeem, waar alle burgers bij betrokken zijn, zouden moeten meten. En waar beleids- en opiniemakers wel kunnen hopen dat de mening van burgerjury’s een soort benadering vormt van de mening die de hele burgerbevolking zou hebben als zij mee gedelibereerd zou hebben, blijft het onduidelijk hoe de uitkomsten van die jury’s zich verhouden tot de feitelijke meningen van diezelfde burgerbevolking en hoe die jury’s zich zouden moeten verhouden tot de meer omvattende representatieve democratie.

In het licht van die problemen is er binnen het deliberatieve paradigma daarom sinds enkele jaren sprake van een nieuwe, systemische wending waarin de vraag naar de deliberatieve kwaliteit van het democratische systeem als geheel en dus met andere woorden de vraag naar de institutionalisering van het deliberatieve ideaal in een grootschalige politieke gemeenschap (opnieuw) centraal komt te staan (Mansbridge en Parkinson, te verschijnen). Interessant daarbij is dat de theoretici binnen het paradigma eigenlijk nooit exclusief hebben ingezet op het instrument van de burgerjury als mogelijke vorm van institutionalisering. Habermas, bijvoorbeeld, heeft zijn model van meet af aan ontwikkeld met het oog op een democratisering van de bestaande representatieve democratie. De deliberatieve kwaliteit van het geheel hangt daarbij voor hem (in lijn met zijn vroegere werk) vooral af van de kwaliteit van het publieke debat in de publieke sfeer en van de mate waarin dit debat de feitelijke besluitvorming binnen het parlement en de regering effectief kan beïnvloeden. Andere auteurs, zoals Joshua Cohen, hebben dan weer ingezet op het belang van deliberatieve netwerken. Daarmee verwijzen zij bijvoorbeeld naar de democratische besluitvorming binnen de Europese Unie die gekenmerkt wordt door een wijd vertakt netwerk van comités en advies- of overlegorganen. De deliberatieve kwaliteit van het overleg binnen dit netwerk hangt voor hen vervolgens af van de mate waarin dat netwerk open staat voor de invloed en inbreng van alle mogelijke betrokken burgers, hetzij op een rechtstreeks manier hetzij via de woordvoerders van relevante belangengroepen.

De vraag naar de meest adequate institutionalisering van het deliberatieve ideaal is een vraag die noch in theorie noch in de praktijk al beantwoord is. Zelf ben ik van mening dat het meest optimale model een mengvorm zal moeten zijn die representatieve elementen combineert met burgerjury’s en met deliberatieve netwerkstructuren. Dat betekent dat modellen die eenzijdig inzetten op burgerjury’s of netwerken onhoudbaar zijn. Diegenen die het deliberatieve model presenteren als een radicaal democratisch alternatief dat de representatieve partijpolitiek zou kunnen vervangen, zullen bedrogen uitkomen. De organisatoren van de G1000 hebben daarom gelijk als ze stellen dat deliberatieve burger- jury’s hooguit een complement en geen vervanging voor het representatieve systeem kunnen zijn. In wat volgt wil ik kort – en in aansluiting bij het werk van de Franse filosoof Claude Lefort – twee argumenten ontwikkelen die het blijvende belang van representatie onderbouwen (Rummens, te verschijnen).

Zichtbare politiek

Hoewel het uiteraard niet feitelijk mogelijk is om alle burgers tegelijkertijd aan het publieke debat te laten deelnemen, is de representatieve democratie door de manier waarop ze de burger betrekt bij de dynamiek van het politieke debat toch in staat om vorm te geven aan een op zijn minst virtueel inclusief debat. Het grote voordeel van parlementaire partijpolitiek is immers dat ze een grote zichtbaarheid kan geven aan het politieke debat. De structuur van de parlementaire besluitvorming leidt ertoe dat het publieke debat een focus krijgt op een beperkt aantal thema’s en dat een beperkt aantal herkenbare politieke spelers (politici, maar ook mensen uit het middenveld of mediafiguren) een rol speelt in dat debat. Doordat deze spelers met elkaar in debat gaan en zich moeten profileren op basis van een eigen, duidelijk onderscheiden positie wordt voor het bredere publiek een argumentatieruimte (space of reasons) geschetst. Die ruimte helpt de gewone burger om zich ook zelf in het debat te oriënteren en te begrijpen welke argumenten een rol spelen en welke posities er mogelijk zijn betreffende de kwesties die op dit moment op de politieke agenda staan.

Zoals ook Lefort (1989) benadrukt, draagt die zichtbaarheid van de representatieve poli tiek ertoe bij dat alle geïnteresseerde burgers zich op zijn minst via hun verbeelding als virtuele deelnemers aan het politieke debat kunnen beschouwen. Daarbij kunnen zij nagaan of er ook daadwerkelijke politieke actoren zijn die de standpunten en argumenten naar voren brengen die zij zelf belangrijk achten en hen op die manier in het publieke debat vertegenwoordigen. Deze mogelijkheid tot identificatie met welbepaalde standpunten in het debat maakt dat burgers zich eveneens met het debat als dusdanig gaan identificeren en het gevoel krijgen dat ook zijzelf – zij het doorheen die vertegenwoordiging – aan het debat deelnemen.

Net doordat de representatieve democratie een soort grootschalig politiek debat mogelijk maakt, is ze geschikt om, zoals vereist binnen het deliberatieve model, de voorkeuren en waarden van burgers te traceren en te transformeren. Zoals Lefort benadrukt is de politieke scène de plaats bij uitstek waar particuliere belangen van burgers kunnen verschijnen en met elkaar in confrontatie kunnen treden. Het is in die confrontatie dat politici erin moeten slagen om via het sluiten van akkoorden en compromissen particuliere belangen te transformeren tot een tijdelijke invulling van het algemeen belang. Daarbij is het zaak dat politici dit steeds doen in het aanschijn van de kiezer die dit proces op die manier minstens virtueel kan meemaken en daardoor ook kan bepalen of hij het al dan niet eens is met de manier waarop het algemeen belang geconstrueerd wordt. Die virtuele participatie maakt dat de burger tegelijkertijd ook een reële controle op dat proces behoudt en politici die onvoldoende rekening houden met zijn of haar belangen bij volgende verkiezingen electoraal kan afstraffen.

Als we de zichtbaarheid van de representatieve democratie vergelijken met het gebrek aan zichtbaarheid van bijvoorbeeld burgerjury’s, dan wordt ook duidelijker waarom die laatste zich geconfronteerd zien met een legitimiteitsprobleem. Voor de burgers die niet zelf deelnemen aan de deliberaties binnen zo’n jury is het immers onmogelijk om inzicht te krijgen in de stroom van de argumenten en de posities die aan bod zijn gekomen. Voor de buitenstaanders blijft de burgerjury een black box waarvan zij enkel de uitkomst zien. Ook al wordt hun verteld dat deze uitkomst het resultaat is van een uitgebreid, redelijk en inclusief debat waarin alle mogelijke standpunten aan bod zijn gekomen, dan nog kunnen de burgers niet zelf vaststellen of hun eigen posities en hun eigen belangen hierin ernstig zijn genomen. Bovendien zijn zij niet in staat geweest om kennis te maken met mogelijke tegenargumenten op grond waarvan ze eventueel hun eigen positie hadden kunnen bijstellen. In het licht daarvan is het niet zo verwonderlijk dat bijvoorbeeld bij het referendum over de hervorming van het kiesstelsel in British Columbia in Canada in 2005 de kiezers de aanbevelingen van een burgerjury, die zich zeer lang over de problematiek had gebogen, niet hebben gevolgd.

Het voorbehoud van de minderheid
Een bijkomend belangrijk voordeel van de representatieve democratie is dat ze er niet alleen in slaagt om de structuur en de dynamiek van de politieke deliberatie zichtbaar te maken voor een groot publiek, maar dat ze gestalte geeft aan het voorbehoud dat we noodzakelijk moeten maken bij elke politieke beslissing. Zoals Lefort vaak heeft benadrukt is het van belang dat de plaats van de macht in de democratie symbolisch leeg blijft. Met die metafoor verwijst Lefort naar het feit dat de verdeeldheid van het volk impliceert dat er in een democratisch regime steeds onenigheid zal zijn over de invulling van het algemeen belang en dat er bijgevolg ook een niet te elimineren verschil bestaat tussen de ‘wil van de meerderheid’ enerzijds en de (noodzakelijkerwijs onbepaalde) ‘wil van het volk’ anderzijds. Aangezien in een democratie de plaats van de macht toekomt aan het (gehele) volk kan en mag een meerderheid zich in het licht van dat verschil nooit volledig identificeren met de plaats van de macht. Zij moet blijven erkennen dat haar beslissingen hooguit een tijdelijke invulling van het algemeen belang vormen, die in de toekomst opnieuw kan en zal gecontesteerd worden.

In de representatieve democratie is het de blijvende aanwezigheid van de minderheid op de politieke scène die dat voorbehoud ten aanzien van de feitelijke beslissingen een zichtbare gestalte geeft. In meer deliberatieve termen zouden we kunnen stellen dat de aanwezigheid van de minderheid een temporele structuur geeft aan het politieke debat en daarbij fungeert als een reservoir van argumenten (Rummens, te verschijnen). Dat betekent enerzijds dat de minderheid argumenten die voorlopig in het debat het onderspit hebben moeten delven blijvend aanwezig stelt als een soort herinnering aan voorkeuren en waarden die niet of niet volledig zijn meegenomen in de huidige invulling van het algemeen belang. Tegelijkertijd houdt die herinnering ook een verwijzing in naar een mogelijke toekomst. Aangezien het politieke debat nooit afgesloten is en de minderheid van vandaag de meerderheid van morgen kan zijn, kunnen die minderheidsargumenten naderhand ook opnieuw opgevist worden voor het uitwerken van een mogelijk toekomstig alternatief.

De blijvende aanwezigheid van de minderheid is niet alleen van belang voor wat betreft het beschikbaar houden van argumenten en alternatieve beleidsopties. Ze is ook erg belangrijk voor de blijvende identificatie en loyaliteit van alle burgers. Immers, burgers die zich op dit moment niet kunnen vinden in de huidige meerderheidsbesluiten kunnen zich eventueel nog wel blijvend herkennen in de minderheid en zo ook virtueel aanwezig blijven op de politieke scène. De aanwezigheid van de minderheid is daarbij een zichtbaar teken van hoop op een andere toekomst waarin de eigen positie alsnog kan uitgroeien tot een meerderheidspositie. Dit maakt het veel gemakkelijker voor burgers die de voorlopige uitkomst van het politieke proces verwerpen om zich tegelijkertijd alsnog met dat proces te vereenzelvigen.

Hier is opnieuw sprake van een belangrijk verschil met het systeem van de burgerjury’s. Het gaat daarbij immers om een groep van mensen die slechts tijdelijk bijeenkomt en meestal één advies aflevert. De argumenten die het in de deliberatie niet gehaald hebben en niet zijn overgenomen in het finale advies laten na het ontbinden van de burgerjury dan ook geen zichtbare sporen na op het politieke terrein. Het afgeleverde advies kan zich presenteren als een soort alternatiefloos oordeel dat de legitimiteit en de redelijkheid aan zijn kant heeft. Het voorbehoud dat tegenstanders van dat advies kunnen hebben krijgt niet meteen een evenwaardige stem of uitdrukking. Het risico hiervan is opnieuw dat tegenstanders zich vervreemd zullen voelen van de hele procedure en de legitimiteit ervan maar moeilijk zullen erkennen.

De G1000 is zonder meer een interessant initiatief dat alle steun verdient. Desalniettemin is het van belang te beseffen dat de plaats van dit soort initiatieven binnen het meer omvattende representatieve systeem niet geheel onproblematisch is. Zoals ervaring in het verleden al heeft aangetoond (Parkinson 2005) is het erg moeilijk om dergelijke burgerjury’s zo te mediatiseren dat mensen die niet zelf ter plekke aanwezig waren ook daadwerkelijk een beeld krijgen van de verschillende argumenten en posities die aan bod zijn geweest en van de manier waarop het uiteindelijke advies tot stand is gekomen. De beperkte zichtbaarheid ervan maakt dat het debat dat binnen zo’n jury gevoerd wordt niet kan uitgroeien tot een virtueel debat waarin alle burgers zich op een of andere manier vertegenwoordigd voelen. Burgers worden uiteindelijk enkel met een ‘resultaat’ geconfronteerd waarvan de legitimiteit zonder enige twijfel sterk gecontesteerd zal worden door diegenen die het niet met dat resultaat eens zijn. Om dat soort kritieken te counteren is het van belang dat de G1000 zich presenteert als een project dat wil bijdragen aan het bredere publieke en politieke debat over de toekomst van België, maar dat bredere debat nooit wil of kan vervangen.

Literatuur

  • Cohen, J. (1997). Deliberation and Democratic Legitimacy. In J. Bohman en W. Rehg (red.),Deliberative Democracy. Essays on Reason and Politics (pp. 67-91). Cambridge: MIT Press.
  • Goodin, R.E. en J. S. Dryzek (2006). Deliberative Impacts. The Macro-political Uptake of Mini-publics. Politics & Society, 34: 219-244.
  • Gutmann, A. en D. Thompson (1996). Democracy and Disagreement. Cambridge: Harvard University Press. Habermas, J. (1992). Faktizität und Geltung: Beiträge zur Diskurstheorie des Rechts und des demokratischen Rechtsstaats. Frankfurt am Main: Suhrkamp.
  • Lefort, C. (1989). Démocratie et représentation. In C. Lefort (2007), Le temps présent. Ecrits1945-2005 (611- 624). Parijs: Belin.
  • Mansbridge, J. en J. Parkinson (te verschijnen). Deliberative Systems. Cambridge: Cambridge University Press.
  • Parkinson, J. (2005). Rickety Bridges. Using the Media in Deliberative Democracy. British Journal of Political Science, 36: 175-183.
  • Rummens, S. (2005). Deliberatie en vrijheid. De normatieve kern van Habermas’ democratietheorie. Tijd- schrift voor Filosofie, 67: 95-122.
  • Rummens, S. (early view). Staging deliberation. The role of representative institutions in the deliberative democratic process. The Journal of Political Philosophy.
  • Thompson, D. (2008), Deliberative democratic theory and political science. Annual Review of Political Science, 11: 497-520.