Home De zelfkant van de wetenschap

De zelfkant van de wetenschap

Door Huub Dijstelbloem op 10 november 2014

De zelfkant van de wetenschap
Cover van 04-2012
04-2012 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

‘Hoe minder de mensen weten hoe worst en wetten worden gemaakt, des te beter slapen ze,’ zo heeft de Duitse kanselier Otto von Bismarck eens gezegd. Wetten moeten robuust zijn, eenduidig en herkenbaar, maar voordat ze als hapklare brokken door het parlement worden aangenomen, gaan ze net als worst door vele handen heen. Men kan beter niet weten welk vlees er precies doorheen is gedraaid en welke ingrediënten er nog aan zijn toegevoegd.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Vervang ‘wetten’ door ‘wetenschap’ en de uitspraak had van de Franse filosoof Bruno Latour kunnen zijn. Er is echter één groot verschil: Latour is heel wat minder bekommerd om onze nachtrust dan Bismarck en heeft de poorten van de fabriek waar wetenschap wordt gemaakt wijd opengegooid. Feiten en theorieën worden als kant-en-klare producten opgediend en als het goed is, is er geen verdachte kleur of geur aan te bekennen. Maar als een kijkje in de keuken wordt genomen en nader wordt bezien hoe de fabricatie plaats heeft, is wetenschap dan nog steeds zo’n smaakvol product?

Die fabriek waar wetenschap wordt gemaakt, is natuurlijk het laboratorium. Maar heden ten dage is dat zeker niet meer de enige plek waar wetenschap plaatsheeft. ‘Wetenschap maakt integraal deel uit van de maatschappij’ luidde dan ook heel toepasselijk de opening van het advies Tussen onderzoek en samenleving in maart 2012 van de Jonge Akademie, het ‘dynamische en innovatieve platform van jonge topwetenschappers met visie op wetenschap en wetenschapsbeleid’ dat onderdeel uitmaakt van de statige KNAW.

 

‘Wetenschap’, zo stellen zij, ‘ligt ten grondslag aan alledaagse zaken zoals kunststof kleding en smartphones en draagt bijvoorbeeld bij aan het ontwikkelen van veilige voeding, het verbeteren van de gezondheidszorg en het stimuleren van taalontwikkeling bij kleuters. Wetenschap zorgt ervoor dat we onderwerpen die elke dag in het nieuws zijn beter begrijpen: conflicten en terrorisme, epidemieën, economische crises, maar ook kunstvormen en de weersvoorspelling. Wetenschap maakt deel uit van onze cultuur en reikt ons in de zoektocht naar kennis nieuwe begrippenkaders aan. Ook vormen wetenschappelijke gegevens een basis voor politieke besluitvorming, bijvoorbeeld op het terrein van klimaatverandering, milieuvervuiling, de gewenste groei van de economie en het terugdringen van filevorming.’
Wie dit leest, kan niet anders concluderen dan dat de penetratie van wetenschap in de samenleving compleet is. Er is geen domein van menselijk handelen, of het nu om wonen, werken, zorgen of politieke besluitvorming gaat, waarin wetenschap geen rol van betekenis speelt. De wetenschapsfabriek is niet alleen onderdeel van een mondiaal industrieel complex, maar ook innig vervlochten met de dienstenindustrie, de overheid en onze privéhuishoudens. Waarom dan toch dit advies?

 

Het feit dat de positie van wetenschap nog eens onderstreept moet worden, duidt erop dat die toch niet vanzelfsprekend is. En inderdaad, de jonge academici maken zich zorgen. Zij stellen vast dat wat wetenschap nu eigenlijk precies behelst onder het grote publiek te weinig bekendheid geniet. Dat is een gemis, omdat daardoor de bijdrage van wetenschap toch niet voldoende op waarde wordt geschat en er een vertekend beeld ontstaat van wat wetenschap wel en vooral ook niet vermag. Dat kan leiden tot overspannen verwachtingen of juist tot onderwaardering – niet handig in een tijd waarin bezuinigingen voor de deur staan en politici bij voorkeur kappen in budgetten die onder het publiek weinig steun genieten.
 
Om te voorkomen dat mensen met verkeerde, verouderde of sterk geromantiseerde beelden leven en ‘wetenschap’ tot overmaat van ramp in het rijtje ‘ontwikkelingssamenwerking’, ‘defensie’ en ‘kunst’ wordt geplaatst, bepleiten de opstellers van het advies meer aandacht voor het proces van wetenschapsontwikkeling. Niet alleen resultaten tellen – ‘we hebben eindelijk het higgsdeeltje ontdekt’, ‘de ijskap op de Noordpool smelt sneller dan gedacht’ -, maar juist ook de wijze waarop die bereikt worden en hoe wetenschappers te werk gaan. Dat zal, zo verwacht men, tot een waarheidsgetrouwer beeld van wetenschap leiden en de betrokkenheid van het publiek en de politiek maar ook van het bedrijfsleven vergroten.
Maar wie zich de uitspraak van Bismarck herinnert, weet dat dit een gevaarlijk advies is. Willen we echt wel weten wat er zich in de worstfabriek afspeelt en vertrouwen we het eindproduct beter als we zien hoe het is gemaakt? Of slapen we beter als de fabriekspoort voor buitenstaanders gesloten blijft?
 

Een alledaagse praktijk

Wie de stoute schoenen wil aantrekken en de wetenschapsfabriek wil ingaan om te zien hoe het ‘proces van wetenschapsontwikkeling’ verloopt, kan terecht bij Latour. Wat eraan voorafgaat voordat een bevinding als robuuste kennis kan worden gepresenteerd, is precies de vraag waarmee zijn wetenschapsonderzoek begon. Of de leden van de Jonge Akademie tevreden zullen zijn met zijn antwoord is echter twijfelachtig.

De vraag hoe ‘feiten’, ‘theorieën’ en ‘kennis’ tot stand komen en hoe de relatie tussen wetenschap en andere delen van de maatschappij verloopt, inspireert Latour al vanaf midden jaren zeventig van de vorige eeuw. Het leidde onder meer tot veldonderzoek in het Salk-Institute in San Diego (Laboratory Life, 1979), een studie naar het werk van Louis Pasteur (The Pasteurization of France, 1988), een boek over de praktijk van het wetenschapsbedrijf (Science in Action, 1987), het essay We Have Never Been Modern (1993) en de bundel met oude en nieuwe stukken (Pandora’s Hope, 1999). In al deze boeken en de vele tientallen artikelen die hij eraan heeft gewijd, bewandelt Latour zowel methodologisch als theoretisch ongebaande wegen om grote filosofische vraagstukken te combineren met empirisch onderzoek.

Om te beseffen hoe bijzonder die combinatie is, mag niet worden vergeten dat lange tijd de wetenschapsfilosofie en de wetenschapssociologie strikt gescheiden domeinen waren en dat het formele en normatieve karakter de empirische invalshoek overheerste. Hoe kritisch wetenschap ook onder de loep genomen werd, zij werd toch altijd als een bijzondere manier van kennis beschouwd.
 

Latour zet zich echter af tegen het idee dat er iets unieks is aan wetenschappelijke kennis als zodanig. Hij ondergraaft het idee dat wetenschapsbeoefenaars uitverkoren lieden zijn, uitvindingen slechts door genieën worden gedaan, wetenschap op een geprivilegieerde wijze toegang heeft tot de geheimen van de natuur en de ‘kennis’ die zij oplevert aan speciale kenmerken voldoet. Hij is er van meet af aan op gebrand de status van wetenschap als een uniek kennisdomein kritisch te bevragen. Latour gebruikt zijn onderzoek naar wetenschap ook om iets te leren over hoe moderne maatschappijen onderscheid aanbrengen in wat als rationeel en wat als irrationeel geldt. Wetenschap is in moderne samenlevingen de meest verfijnde en afgebakende vorm van kennen. Wie begrijpt hoe die wijze van kennen tot stand komt, snapt iets meer van hoe de samenleving geordend is. Ondertussen hanteert Latour echter wel een ander begrip van ‘het proces van wetenschapsontwikkeling’ dan de Jonge Akademie gebruikt. Wetenschap wordt door hem ontleed met zijn  zogenoemde actor-netwerktheorie. Daarin is een grote rol weggelegd voor individuele figuren (wetenschappers) die zowel onderzoekswerk doen als daar legitimiteit aan verlenen. Dat doen ze door voortdurend te bouwen aan ‘netwerken’.

Een ‘netwerk’ is natuurlijk een beetje een vies woord. Het riekt naar gelobby, manipulatie en achterkamertjespolitiek. Latour haalt er zijn neus niet voor op, maar ziet netwerken als bredere vormen van associaties, zowel tussen mensen als tussen dingen. Wat wetenschappers namelijk doen, is voortdurend nieuwe connecties leggen. Tussen waarnemingen, hypothese en theorie natuurlijk. Maar ook tussen collega-onderzoekers en tijdschriftredacteuren en tussen financiers van overheid en industrie en de directie van hun laboratorium. Bovendien bestaan die netwerken ook uit instrumenten, apparaten die nodig zijn voor de experimenten en die worden aangewend om nieuwe informatie te verkrijgen. De netwerken zijn  dus niet louter formeel of informeel, maar ook materieel van aard. Binnen dit geheel van mensen, geld,  publicaties en apparatuur komen ‘feiten’ tot stand.
 

Harde en zachte netwerken

Hoe komt het nu dat sommige feiten wel standhouden en andere niet? Met het antwoord ‘zolang hypotheses de toets van falsificatie doorstaan, kunnen ze voorlopig worden aangehouden’ neemt Latour geen genoegen. Dit is een mooie rechtvaardiging van het proces achteraf, maar hoe verloopt zoiets in de praktijk?
 
Latour maakt een onderscheid tussen ‘kant-en-klare wetenschap’ en ‘wetenschap in actie’. ‘Kant-en-klare wetenschap’ is wat we in artikelen en tekstboeken lezen. Dat zijn de producten van de wetenschapsfabriek. Maar ‘wetenschap in actie’ geeft een veel rijker beeld van de praktijk. De implicaties daarvan zijn niet slechts van belang voor sociologen en psychologen, maar luiden een alternatief wetenschapsfilosofisch kader in.
In de kern heeft Latour een relationele opvatting van hoe feiten tot stand komen. Iets betekent nooit iets op zichzelf, maar staat altijd in contact met andere uitspraken, bewijzen en teksten. Netwerken kunnen ‘hard’ of ‘zacht’ worden door ze te verbinden met stabiele of instabiele zaken. Door een feit in relatie te brengen met een onbetwist canon aan kennis wordt dat feit steviger. Wil men het onderuithalen, dan zal namelijk niet slechts de aanval op dat ene feit moeten worden geopend, maar moet een aanzienlijk stelsel van theorieën die als een ‘verplicht passagepunt’ fungeren ter discussie worden gesteld.
 
Maar hoe komt een feit zo ver? Hoe raakt het verbonden aan een stevig netwerk? Hier blijkt dat de relationele opvatting van Latour een ruim begrip is. Relaties moeten namelijk niet alleen worden aangeknoopt met andere feiten en theorieën, maar ook met geldschieters, overheden, wetgevers, commissies, collega’s en concurrenten. Wie onderzoek op het gebied van biotechnologie wil doen en gewassen wil verbeteren, zal een start-up in de buurt van een grote technische universiteit willen beginnen, risicokapitaal moeten zien aan te trekken, zich moeten omringen met juristen en contacten met nationale en internationale overheden moeten onderhouden, initiatieven moeten ontplooien om ruimte voor proefvelden te verkrijgen en afspraken moeten maken met eventuele toekomstige afnemers. Ook zal hij nauwkeurig zijn  materiaal moeten kiezen, nieuwe apparatuur moeten ontwerpen, computerprogramma’s voor analyse moeten laten schrijven en andere visualisatietechnieken moeten laten ontwikkelen. Of een onderzoek als levensvatbaar en vernieuwend wordt gezien door externe financiers, overheidsinstanties en wetenschappelijke organisaties is vaak even belangrijk voor het opkomen en voortbestaan van een feit als zijn  inbedding in een strikt theoretische omgeving. De actor die zijn bevindingen het sterkst weet te verknopen met de wetenschappelijke en sociale netwerken die hij bespeelt, zal het langst houdbare feit naar voren brengen.
 

Zwarte dozen  en het zuiveringsproces

Maar waarom lezen we hierover nooit iets terug? Hoe komt het dat in de boeken die wetenschappers schrijven alleen een formele rechtvaardiging voor een feit of theorie hoeft te worden gegeven? Het bijzondere aan wetenschap is dat zij voortdurend haar eigen sporen uitwist. Weliswaar ‘staat men op de schouders van reuzen’, zoals Newton het collectieve voortbouwende karakter van wetenschap aanduidde, maar de rommel die de reuzen lieten slingeren wordt steeds nauwgezet opgeruimd.
Met een ferme term heeft Latour dit aangeduid als een zuiveringsproces. Daarmee doelt hij niet op het stileren van de werkelijkheid, in het slechtste geval het naar de hand zetten ervan zoals Diederik Stapel op bijna perfecte wijze deed of een tribunaal zoals dat onder Stalin plaatsvond om onwelgevallige  partijgenoten te elimineren. Met de term ‘zuivering’ wijst Latour op een kenmerk van de moderniteit, dat in wetenschap verrassend goed aan het licht komt. Dat kenmerk is dat de moderniteit de neiging heeft in tweedelingen, dichotomieën te denken en alles wat daartussenin valt als ‘rommelig’ ter zijde te schuiven.
De belangrijkste tweedeling van de moderniteit is ongetwijfeld het subject-objectonderscheid, dat zich vertaalt in tal van andere tegenstellingen: cultuur versus natuur, samenleving versus wetenschap, mens versus ding, sociaal versus technologisch. Wetenschaps-
filosofisch gezien is het belangrijkste daarvan dat er een onderscheid wordt aangebracht tussen menselijke, subjectieve kenvermogens aan de ene kant en een objectieve, kenbare wereld aan de andere kant. De mens is de actieve onderzoeker, de werkelijkheid laat zich passief lezen.

Latour laat echter zien dat er heel wat stappen voor nodig zijn om de kloof tussen subject en object te overbruggen. Dat is niet alleen een praktische zaak in de zin van dat er veel geld, middelen, tijd en energie in wetenschap moeten worden gestoken. Ook is het niet simpelweg een zaak van de context in acht nemen of externe factoren in de afwegingen betrekken. Latour tornt hier ten diepste aan het kennistheoretisch axioma dat mensen en dingen onderdeel van gescheiden domeinen uitmaken. De implicatie is dat subject en object, mens en wereld, gedurende de loop van een onderzoek ook in epistemologische zin nader tot elkaar moeten worden gebracht.
Bezien we het proces van wetenschapsontwikkeling vanuit dit perspectief, dan is wat men formeel gezien een ‘methode’ noemt eigenlijk ook een lang zuiveringsproces. Daarin wordt vanuit een onduidelijke situatie waar een vraag is gerezen naar het bestaan van iets (een deeltje) of de oorzaak van een probleem (klimaatverandering) met behulp van tal van hulpmiddelen getracht uiteindelijk een bepaald causaal verband te reconstrueren en een verantwoordelijke oorzaak aan te wijzen. Zodra dat feit na een lange keten van vermoedens, hypotheses, experimenten en overleg tot stand is gekomen en zich staande weet te houden binnen het nieuwe netwerk, worden de sporen van het ontdekkingsproces uitgewist en staat het feit voortaan op zichzelf. Vanaf dat moment is het feit ‘objectief’, los van menselijke bemoeienis. Maar zo was het niet altijd. Feiten worden niet naakt op straat gevonden, maar moeten zorgvuldig worden gedestilleerd uit tal van gegevens. Voordat het zover is, moeten er vuile handen worden gemaakt met geldschieters, collega’s en concurrenten. Pas gaandeweg krijgt een feit zijn objectieve gestalte en komt het ‘los’ te staan van alle ingrepen die tot de geboorte ervan leiden. Latour illustreert dat aan de hand van de beschrijving van DNA als een dubbele helix door Watson en Crick in 1953. Nu geldt de dubbele helix als de structuur van DNA. Maar om die structuur te ‘ontdekken’ moesten Watson en Crick een felle concurrentiestrijd voeren en verschillende technieken uitproberen. Hun claims evolueerden van ‘we geloven dat het een dubbele helix is’ via ‘we denken dat het een dubbele helix is, maar zeker is het niet’ naar ‘we kunnen aantonen dat het een dubbele helix is’ tot uiteindelijk: ‘DNA is een dubbele helix.’
 

Dit sluiten van de markt noemt Latour de ‘zwarte doos’. Alle vluchtgegevens van het nieuwe feit worden opgeslagen en weggestopt, voortaan gaat het alleen door het leven en wordt het niet langer ter discussie gesteld. Tenzij… Want wetenschappelijke kennis is feilbaar en principieel herroepbaar. Dus wanneer zich na verloop van tijd een nieuw concurrerend feit aandient dat krachtig genoeg is om het netwerk te herordenen of een nieuwe theorie die daartoe in staat is, gaat de zwarte doos open en begint het constructieproces opnieuw, met onbekende uitkomst.
Daar blijkt nog een reden waarom Latour de studie van ‘wetenschap in actie’ boven ‘kant- en-klare wetenschap’ verkiest. Juist wanneer zwarte dozen opengaan ontstaat de dynamiek die nodig is om een beeld te krijgen van wat er allemaal bij komt kijken om feiten stabiel te krijgen. Uitgerekend op het moment dat feiten instabiel worden en de stellage op instorten staat, wordt zichtbaar welke hulpmiddelen allemaal worden aangewend. Vandaar dat Latour ervoor pleit ‘controverses’ en situaties van onenigheid en onzekerheid als ingang te nemen om te leren begrijpen hoe wetenschap werkt.
 

Besluit

Dit laatste advies om ‘controverses’ als ingang te nemen om wetenschap te begrijpen, kan heden ten dage in ieder geval ter harte worden genomen. Media, politiek en het publiek struikelen om de haverklap over wetenschappelijke claims, of het nu over klimaatverandering gaat of over voedselveiligheid, vaccinatiecampagnes, energie of economie. Voortdurend staan wetenschappelijke feiten ter discussie en worden partijen over en weer in diskrediet gebracht. In die situatie is de vraag hoe een adequaat beeld van wetenschap kan worden overgebracht pertinenter dan ooit. Maar weegt het middel op tegen de kwaal? Is een inkijkje in de worstfabriek wel raadzaam als de klant daarna vegetariër wordt?
 
Latour heeft de doelstelling van de Jonge Akademie meer aandacht te schenken aan het proces van wetenschapsontwikkeling er bepaald niet eenvoudiger op gemaakt. Om te beginnen laat dat proces zich niet afdoende uitleggen met een verwijzing naar ‘de wetenschappelijke methode’. Die methode kan als normatief richtsnoer dienen voor empirisch onderzoek dat aan de regels der kunst wil voldoen, maar het is geen adequate beschrijving van de praktijk waarbinnen die methode wordt toegepast. Het proces van wetenschapsontwikkeling is duidelijk breder dan dat.

De kous is ook niet af met de constatering dat ‘wetenschap mensenwerk is’. Uiteraard zijn wetenschapsbeoefenaars mensen en vindt de interactie tussen hen plaats binnen een sociaal verband. Zelfs als dat verband breder wordt getrokken dan de wetenschappelijke collega’s en ook overheden, ethische commissies, geldschieters of zelfs ‘het publiek’ ertoe worden gerekend, dan nog levert dat geen compleet beeld op van het wetenschappelijk proces. Daartoe dient het materiële karakter van wetenschap meer in ogenschouw te worden genomen.
 

De boodschap die Latour overbrengt is dat enkele grondgedachten van de moderniteit zelfs in het meest rationele domein dat we kennen op losse schroeven komen te staan als we heel precies kijken naar wat wetenschapsontwikkeling eigenlijk inhoudt. Het laboratorium blijkt geen ivoren toren te zijn, maar een vitaal knooppunt van waaruit steeds opnieuw wordt bepaald wat als natuur en wat als cultuur geldt. De productie van steeds weer nieuwe ‘feiten’ vormt de speelruimte van politiek, maatschappij en wetenschap en begrenst of verruimt de mogelijkheden om zaken ter discussie te kunnen stellen.

Latours belangrijke bijdrage aan de wetenschapsfilosofie is dat hij een conceptueel woordenboek heeft geschreven waarmee op veel preciezere wijze dan in termen van ‘sociale context’, ‘economische factoren’ of ‘politieke belangen’ de inbedding van wetenschap in de samenleving is te bestuderen. Al deze aspecten kunnen niet langer als ‘externe factoren’ ter zijde worden geschoven. Ook een strikt onderscheid tussen wetenschapsfilosofie, sociologie en politieke theorie is niet langer houdbaar. Kwesties rond voedsel, energie of biotechnologie waarin geopolitieke issues, technologische innovatie en vragen over rechtvaardige verdeling hand in hand gaan zijn ook niet louter te begrijpen met een eenzijdige blik op het laboratorium, de lobby van de industrie of politieke spelletjes. Latour heeft het kader ontwikkeld dat het mogelijk maakt daar verbanden tussen te bestuderen. Dat maakt het bepaald niet eenvoudiger om uit te leggen waar ‘het proces van wetenschapsontwikkeling’ precies uit bestaat. De winst is dat daarvoor in de plaats een perspectief is gekomen dat recht doet aan de even invloedrijke als omstreden positie van wetenschap in deze tijd.