Home De symbolisering van de gemeenschap

De symbolisering van de gemeenschap

Symbolen, zo luidt de gemeenplaats, zijn een zaak van taal en kunst – van literatuur en plastische kunst, en ook wel van religie en spiritualiteit –, maar niet van politiek. Nochtans is de band tussen politiek en symboliek niet vreemd. Iedereen kent wel politieke symbolen of heeft het wel eens over symbooldossiers in de politiek. In wat volgt wil ik duidelijk maken dat dit te maken heeft met wat de politiek (ook altijd) doet: het symboliseren van de gemeenschap.

Door Antoon Braeckman op 26 februari 2014

Cover van 02-2008
02-2008 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Symbool en politiek

Het opduiken van symbolen in de politiek is allesbehalve toevallig. Het heeft te maken met het wezen van de politiek, of wat minder zwaar op de hand geformuleerd: met wat de politiek (ook altijd) doet. Politiek ís namelijk in hoge mate symbolisering en wordt los van haar symboliserende dimensie niet adequaat begrepen. Niet in het minst daarom wekt het verwondering dat het verband tussen symbool en politiek in de regel een negatieve bijklank heeft. Of nu verwezen wordt naar politieke symbooldossiers, zoals de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde in België, het dossier ‘Hirsi Ali’ in Nederland dan wel naar het hoofddoekendebat, dat zowat overal in de ons omringende landen een hoge politieke symboolwaarde heeft gekregen: telkens komt de koppeling van symbool en politiek op een negatieve manier in het vizier. Want steeds weer verhindert uitgerekend het symbolisch gehalte van deze kwesties dat ze een politiek bevredigende oplossing krijgen. Symboliek, zo lijkt het wel, staat elke ernstige en doeltreffende politiek in de weg. Ze leidt de politiek van haar eigenlijke taak af.

Allicht staan die argwaan en scepsis omtrent symbolen in de politiek niet helemaal los van de grote politieke ervaringen uit de voorbije twintigste eeuw. Het fascisme, het nazisme, het communisme en allerlei nationalismen hebben de mobilisatiekracht van symbolen in de politiek méér dan duidelijk gemaakt en dit zo goed als steeds tot onze schade en schande. Symbolen in de politiek appelleren aan onze gevoelens en zijn daarom aartsgevaarlijk, zo luidt de les die we sindsdien hebben geleerd. Politiek en emotie houden we daarom het best gescheiden of gebruiken we bij voorkeur met mate. Maar mogelijk houdt die afwijzende houding tegenover symbolen in de politiek ook verband met onze huidige, door en door liberale kijk op politiek. In die visie staat de politiek, en bij uitbreiding de hele staat, in dienst van de burger en diens maatschappelijke reilen en zeilen. Daarbij moet de rol van staat en politiek vooral niet te groot worden. Van de politiek wordt voornamelijk verwacht dat ze de sociale en economische randvoorwaarden veiligstelt voor de individuele en maatschappelijke ontplooiing van de burger. Politiek (government) is daarom vooral een zaak van ‘goed bestuur’ (governance). Het is de opdracht van de politiek om die bestuurlijke taak zo efficiënt en rationeel, en dat betekent bovenal: zo zakelijk mogelijk aan te pakken. In zo’n benadering houdt de politiek zich bij voorkeur ver van alles wat met ‘symbolen’ te maken heeft, aangezien die bij uitstek de zakelijkheid van ‘goed bestuur’ in de weg staan.

Maar ondanks die op liberale leest geschoeide ‘nieuwe zakelijkheid’ verdwijnen de symbolen niet uit de politiek. Steeds opnieuw ontstaan politieke brandhaarden rond symbooldossiers (uitstap uit de kernenergie, euthanasie, migrantenstemrecht, de anti-islamfilm van Geert Wilders), doen nieuwe politieke symbolen hun intrede (9/11, Mohammedcartoons), of worden oude gerecycleerd (Barack Obama als de nieuwe J.F. Kennedy). Symbolen in de politiek blijken in die zin met de aard van het politieke zelf samen te hangen. Dit wil ik hier althans beargumenteren. De onuitroeibare symboliek ín de politiek is een symptoom van de meer basale symboliek ván de politiek: van haar fundamenteel symbolische gehalte. Op een fundamenteel niveau ís politiek immers niets anders dan een activiteit van symbolisering: de symbolisering van de gemeenschap. Het is belangrijk om dat te onderkennen, of sterker nog: het is bedreigend voor elke gemeenschap wanneer ze die symboliserende rol van de politiek miskent. Want dan miskent ze haar eigen mogelijkheidsvoorwaarde. Zonder politiek als symbolisering van de gemeenschap ís er eenvoudigweg geen gemeenschap. Ik probeer dat toe te lichten, onder meer met behulp van de Franse politieke denkers Claude Lefort en Marcel Gauchet.

Representatie

De basisgedachte van hun politieke filosofie is dat gemeenschappen niet vanzelf tot stand komen, maar pas zodra iemand (of iets) spreekt en handelt namens die gemeenschap. Iemand moet als het ware eerst ‘wij’ zeggen vooraleer een ‘wij’ tot stand komt. Anders geformuleerd: een gemeenschap komt pas tot stand wanneer zij zich als gemeenschap gerepresenteerd weet. Die visie, waarbij gemeenschapsvorming enkel via representatie mogelijk is, heeft verregaande gevolgen. Ik geef de belangrijkste ervan kort aan, al was het maar om de draagwijdte ervan duidelijk te maken. Om te beginnen is de act van representatie – dit ‘wij’ zeggen – op een of andere manier altijd een machtsgreep. Het is een act waardoor de representerende instantie (hij of zij die ‘wij’ zegt) zich de macht van de gemeenschap toeëigent. Hij of zij spreekt namens die gemeenschap, brengt die gemeenschap zo tot stand, en verwerft op die manier ook macht óver de gemeenschap. Maar tegelijk gebeurt er nog veel meer. Door de representatie ontstaat niet alleen de gemeenschap als gemeenschap, maar wordt die gemeenschap ook op een oorspronkelijke manier gebroken. Door de representatie wordt namelijk het onderscheid ingesteld tussen wie representeert en de gemeenschap die gerepresenteerd wordt: tussen diegene die de macht uitoefent en de gemeenschap waarover die macht wordt uitgeoefend. Gemeenschapsvorming onderstelt dus representatie, maar elke representatie instaureert meteen ook een tweedeling – een machtsverhouding – in die gemeenschap. Een gemeenschap valt in die visie dan ook nooit met zichzelf samen. Het punt van waaruit zij zichzelf als gemeenschap ziet, ligt namelijk noodzakelijkerwijze buiten haar: het is van die gemeenschap zelf onderscheiden en valt samen met de plaats van de macht. Bovendien installeert de representatie niet zomaar een tweedeling in de gemeenschap, maar geeft ze deze ook vorm en structuur. Zij houdt de gemeenschap altijd een welbepaald (‘wij’-)beeld voor, waarin die gemeenschap wordt voorgesteld als op een bepaalde manier samengesteld, geordend en gestructureerd. Door die samenstelling, ordening en structuur voor te stellen, wordt ze tegelijk ook binnen die gemeenschap ingesteld – precies omdat die gemeenschap pas via die voorstelling zichzelf als gemeenschap tot stand brengt.

De wijze waarop de mythe fungeert in zogenaamde primitieve samenlevingen vormt hiervan een goede illustratie. Mythen zijn inderdaad stichtingsverhalen: verhalen over de oorsprong van de gemeenschap en haar interne ordening. Als dusdanig zijn ze het (zelf )beeld – de representatie – van die gemeenschap. Maar de gemeenschap bestaat natuurlijk niet voorafgaandelijk aan de mythe. Ze komt pas tot stand onder verwijzing naar die mythe. Het is de mythe die de gemeenschap maakt en niet omgekeerd. Precies daarom is het mythische verhaal over de oorsprong van de gemeenschap en haar interne ordening veel meer dan zomaar een verhaal. Via het verhaal over die gemeenschapsordening stelt de mythe die gemeenschapsordening ook in: ze sticht die gemeenschap. De mythe is in die optiek de plaats van de macht van de gemeenschap, de plaats van waaruit die gemeenschap geordend wordt. Die plaats ligt buiten de gemeenschap. De eigenlijke actoren en handelingen die in het stichtingsverhaal verantwoordelijk zijn voor de oorsprong en ordening van de gemeenschap bevinden zich steeds weer in een onbereikbaar Jenseits: aan gene zijde van de tijdruimtelijke structuur waarbinnen het gemeenschapsleven zich afspeelt. Op die manier vertonen mythische gemeenschappen, zoals alle gemeenschappen, de zo-even gesignaleerde oorspronkelijke gebrokenheid. Aan de ene kant is er de gemeenschap, aan de andere kant de mythische plaats van de macht waaraan die gemeenschap haar bestaan en structuur ontleent.

Die complexe verwevenheid van representatie, macht, oorspronkelijke gebrokenheid, orde en gemeenschapsvorming – die hier uiterst schematisch weergegeven is – wordt door Lefort en Gauchet beschouwd als het wezen van de politiek. Om die fundamentele dimensie te onderscheiden van wat wij in de regel onder politiek verstaan, maken beiden trouwens een onderscheid tussen ‘het politieke’ (le politique) en ‘de politiek’ (la politique). ‘Het politieke’ heeft dan betrekking op dit fundamentele gebeuren van gemeenschapsvorming via representatie: de (zelf )‘constitutie’ van een gemeenschap onder verwijzing naar een beeld van zichzelf. Eens zo’n gemeenschap op het niveau van ‘het politieke’ is ingesteld, is ‘de politiek’ dan de concrete manier waarop de macht, steunend op dat beeld, wordt uitgeoefend.

In die optiek wordt élke gemeenschap gekenmerkt door een oorspronkelijke gebrokenheid als resultaat van de structuur van representatie waardoor die gemeenschap áls gemeenschap tot stand komt. In het voorbeeld van de mythische gemeenschap is dat duidelijk. De breuk tussen de plaats van de macht – de mythe – en de gemeenschap zelf is absoluut, in de zin van onaantastbaar, onoverschrijdbaar en onveranderlijk. Maar ook onze democratische samenleving is op een vergelijkbare, oorspronkelijke manier gebroken – al ligt de structuur van ‘het politieke’ daar enigszins anders. De plaats van de macht – de plaats van de voorstelling van de gemeenschap – wordt nu niet langer gesitueerd in het ‘buiten’ van een mythische oorsprong, maar in de wil van het soevereine volk. Daarmee verschuift de plaats van de representatie van de gemeenschap van een transcendente oorsprong naar een immanent fundament. De structuur van de democratische samenleving valt nu uiteen in de staat die de macht uitoefent in naam van het soevereine volk en de veelheid van burgers die samen de burgerlijke maatschappij vormen. Het ‘soevereine volk’ of ‘de natie’ in naam waarvan de staat de macht uitoefent, valt evenwel niet samen met die feitelijk bestaande burgers. De ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ van de burgers in naam waarvan de staat de macht uitoefent, valt niet samen met hun feitelijke vrijheid en gelijkheid. Ook hier ligt de plaats van de macht dus ‘buiten’ de samenleving. Het is in naam van hét ‘soevereine volk’, in naam van dé ‘gelijkheid’, dé ‘vrijheid’, enzovoort, dat de staat macht uitoefent over de burgers en hen de wet doet naleven. Daardoor onderscheidt de staat zich radicaal van de burgerlijke maatschappij en manifesteert ook de democratische samenleving zich als ‘oorspronkelijk gebroken’. Maar de gelijkenis gaat verder. Net zoals de primitieve gemeenschap tot stand komt via de mythische voorstelling omtrent haar oorsprong, zo komt ook de democratische samenleving tot stand via haar representatie door de staat. De soevereine democratische samenleving bestaat immers niet los van of voorafgaandelijk aan haar representatie door de staat. De staat oefent weliswaar macht uit over de burgers in naam van die soevereine en democratische samenleving, maar in wezen wordt die soevereiniteit, wordt die samenleving pas een feit krachtens de representatie door de staat. Hetzelfde geldt voor de gelijkheid en de vrijheid van de burger. Ook zij bestaan niet los van of voorafgaandelijk aan hun representatie door de staat. Deze oefent weliswaar macht uit over de burgers in naam van de gelijkheid en de vrijheid van de burger, maar in wezen worden ook die vrijheid en gelijkheid pas reëel krachtens hun representatie door de staat. Dankzij die representatie wéét de burger zich vrij en gelijk, ziet hij zichzelf als drager van subjectieve rechten en manifesteert hij zich ook als dusdanig.

Kortom: élke gemeenschap verwijst naar een beeld, een voorstelling van zichzelf als naar haar oorsprong, haar fundament, haar identiteit. Aan die voorstelling ontleent de gemeenschap haar orde en haar zelfverstaan. In die zin vormt die voorstelling de ‘symbolische orde’ van de betrokken samenleving: het complex van betekenissen en onderscheidingen dat die gemeenschap structureert en vormgeeft. In het geval van de democratische samenleving krijgt die symbolische orde een vertegenwoordiging binnen de samenleving onder de vorm van een staatsapparaat. Dit staatsapparaat oefent de macht uit in naam van de ‘symbolische orde’ – in naam van de Wet. Precies door die representatie wordt de gemeenschap als gemeenschap voor zichzelf herkenbaar: ziet ze zichzelf als eenheid en komt ze áls gemeenschap tot stand.

Symbolisering

Fundamenteel voor ons verhaal is dat op die manier een essentieel verband gelegd wordt tussen politiek, representatie en symbolisering. Door het politieke te denken in termen van representatie verschijnt de politiek – met name de concrete organisatie van de macht, meer bepaald de staat – als ‘symbool’ van de gemeenschap. De politiek of de staat symboliseert de gemeenschap in de elementaire betekenis van het begrip ‘symbool’: ze stelt de ‘afwezige’ gemeenschap aanwezig in haar betekenis. Op zich is die gemeenschap namelijk niets meer dan een veelheid van individuen met uiteenlopende, vaak tegengestelde en conflicterende overtuigingen, waarden en belangen, die verspreid zijn over een diversiteit aan organisaties en associaties. In die zin bestaat de gemeenschap niet op zich. Ze bestaat in eigenlijke zin alleen maar op het niveau van haar representatie door de politiek. De politiek biedt de samenleving namelijk een scène waarop die interne maatschappelijke verdeeldheid zichtbaar kan worden. Tegelijk doet ze dat onder verwijzing naar wat die gemeenschap onderliggend samenhoudt. Ze ‘herensceneert’ of, wat hetzelfde is, ze representeert maatschappelijke conflicten als politieke tegenstellingen en transformeert ze zo tot discussies over de betekenis van de waarden waarop de samenleving is gebouwd en in naam waarvan ze de macht uitoefent. Op die manier houdt de diversiteit aan overtuigingen, belangen en waarden binnen de samenleving op pure diversiteit te zijn, maar verschijnt ze als een veelheid van mogelijke posities binnen een en dezelfde gemeenschap. Als symbool van de gemeenschap is de politiek dus méér dan alleen maar een afspiegeling of een heropvoering op een andere scène van wat zich in de gemeenschap afspeelt. Ze stelt die gemeenschap áls gemeenschap aanwezig. Precies daardoor stelt ze die gemeenschap ook in, en geeft ze haar tegelijk vorm en betekenis. Daarom is de politiek de plaats van waaruit de gemeenschap zichzelf begrijpt, en van waaruit die gemeenschap voor zichzelf betekenis krijgt.

Maar de politiek symboliseert de gemeenschap nog op een andere manier, die nauwer aansluit bij een tweede betekenis van het begrip symbool. Daarin wordt het symbool gezien als drager van een onuitputtelijke betekenisrijkdom die begripsmatig nooit volledig uitzegbaar is. Het is die betekenis van ‘symbool’ die sinds de romantiek verbonden wordt met kunst, en aangezien kunst er begrepen wordt als de eindige representatie van het goddelijke, ook met het hele domein van het religieuze en de spiritualiteit. Het gaat, om met Karl Jaspers te spreken, om het symbool als ‘Chiffre der Transzendenz’ – als teken van transcendentie. Maar hoe kan de politiek de gemeenschap symboliseren als ‘Chiffre der Transzendenz’? In welke zin valt politiek te begrijpen als representatie van een realiteit waarvan de betekenisrijkdom zo onuitputtelijk is dat ze ontsnapt aan een volledige begrippelijke verwoording en in zekere zin alleen ‘getoond’, ‘zichtbaar gemaakt’ – gesymboliseerd – kan worden? Om dat te begrijpen, moeten we terugkeren naar de manier waarop de politiek de gemeenschap symboliseert in de eerste betekenis. Daar hebben we gesteld dat de politiek de (afwezige, want op zich niet bestaande) gemeenschap aanwezig stelt (in haar betekenis) onder verwijzing naar wat die gemeenschap als gemeenschap samenhoudt. Wat een gemeenschap samenhoudt, is een geheel van min of meer abstracte handelingsnormen, waarden, zienswijzen, enzovoort, die zich zonder veel samenhang verdichten tot een diffuse en veeleer vage voorstelling van wat die gemeenschap eigen is, wat haar onderscheidt van andere gemeenschappen en waarin dus haar identiteit gelegen is. De politiek symboliseert in die zin de gemeenschap onder verwijzing naar de voorstelling van haar identiteit. Deze valt niet samen met de som van de identiteiten van de bestaande burgers. Wel integendeel, zij ontlenen hun individuele en maatschappelijke identiteit veeleer aan de identiteit van de gemeenschap áls gemeenschap. De burger in Nederland beschouwt zichzelf als Nederlander onder verwijzing naar de Nederlandse identiteit: naar de identiteit van het Nederlander-zijn. Maar wat voor soort identiteit is dat? Nog los van elke inhoudelijke omschrijving gaat het om een identiteit die door en door onbepaald is, en wel in tweeërlei zin. Wat de precieze inhoud is van die identiteit ligt niet vast. Nederlanders, bijvoorbeeld, kunnen zich om diverse redenen als typische Nederlanders beschouwen (omwille van hun zuinigheid, hun verdraagzaamheid, hun calvinistische beginselvastheid, hun poldermodel, hun mondigheid, hun verknochtheid aan het Huis van Oranje, enzovoort). Maar bovendien ligt die identiteit ook niet vast in de zin dat ze steeds openstaat voor nieuwe inhouden en bepalingen. Nieuwe gebeurtenissen kunnen bijvoorbeeld nieuwe betekenissen koppelen aan de Nederlandse identiteit. Ik verwijs maar naar figuren als Pim Fortuyn, Theo Van Gogh, Ayaan Hirsi Ali, Rita Verdonk of Geert Wilders. Hun zogenaamd ‘sterke’ houding tegenover de ‘islam’ en het ‘islamfundamentalisme’ heeft een ander Nederland laten zien dan dat van de verdraagzame en op overleg gerichte samenleving. Wat het betekent Nederlander te zijn, overstijgt daarom niet alleen de identiteit van deze of gene individuele Nederlander, maar ook het geheel van betekenissen dat op een bepaald moment met het Nederlander-zijn verbonden wordt. De identiteit van een gemeenschap is in die zin niet alleen onbepaald, maar overstijgt in principe elke mogelijke concrete inhoud die eraan wordt toegekend. Toch symboliseert de politiek de gemeenschap onder verwijzing naar die onbepaalde, ‘transcendente’ identiteit. Hier manifesteert de politiek zich inderdaad als ‘Chiffre der Transzendenz’, als symbool van wat naar betekenisrijkdom onpeilbaar en derhalve begrippelijk nooit volledig uitzegbaar is.

Van hieruit laat zich de onvermijdelijke verstrengeling van symboliek en politiek goed begrijpen. Als politiek de symbolisering is van de gemeenschap en het niet vaststaat wat die gemeenschap is en waarvoor die gemeenschap staat, dan heeft elke politieke strijd de identiteit van de betrokken gemeenschap als inzet. Dan draait elk politiek conflict in principe om de vraag welke handelingsnormen, welke waarden en welke zienswijzen prioritair de normen, waarden en zienswijzen van de gemeenschap moeten zijn of worden, en hoe die concreet moeten worden ingevuld. In elke politieke discussie staat dan de identiteit van de gemeenschap en langs die weg ook de identiteit van elk van haar burgers op het spel. Vanuit die optiek is elk politiek dossier in beginsel een symbooldossier, is elk politiek debat een debat over politieke symbolisering. Want nogmaals: in het geding is telkens de wijze waarop de gemeenschap gesymboliseerd wordt en hoe zij via die symbolisering ook vorm en gestalte krijgt. Scherpe politieke conflicten, antagonismen of breuklijnen signaleren in die zin een sterke betrokkenheid bij die strijd om de symbolisering van de gemeenschap, en dat betekent finaliter bij de strijd om welk soort gemeenschap men wil en waarvoor die uiteindelijk moet staan. Politieke conflicten, zoals die in de democratische strijd om de macht zijn ingebouwd, versterken daarom de symbolische integratie van democratische gemeenschappen.

Verbeelding van de macht

Toch is de symbolisering van de gemeenschap door de politiek nog net iets ingewikkelder. Symbolen zijn namelijk altijd materiële tekens die boven zichzelf uit wijzen naar immateriële betekenissen en op die manier die immateriële betekenissen aanwezig stellen. Elk symbool, elke symbolisering is daarom verankerd in een materialiteit die de symbolisering draagt. Dat is niet anders in de politiek. De materiële dragers van de politieke symbolisering van de gemeenschap zijn de instituties van de macht: het geheel van instellingen die de samenhang, opbouw en (machts)verhoudingen binnen de gemeenschap vormgeven, belichamen en dus ook symboliseren. Het gaat daarbij niet alleen over politieke instituties in enge zin, zoals het parlement of de verkiezingen, maar ook bijvoorbeeld over de nationale vlag, de nationale hymne, de feestdagen, optochten en andere politieke rituelen, net zo goed als over het belastingsstelsel, het regime van sociale uitkeringen, de organisatie van het onderwijssysteem of het gevangeniswezen. Via elk van die instituties creëert of bevestigt de politieke macht bepaalde maatschappelijk verhoudingen, geeft ze vorm en gestalte aan de gemeenschap en genereert ze in die gemeenschap een bepaald zelfverstaan, een zelfbeeld waarin de burger zich leert herkennen.

Bovendien ontlenen die instituties hun symbolisch vermogen in belangrijke mate aan hun onderlinge samenhang. Een vlag op zich heeft weinig symboolwaarde. Maar een vlag die gehesen of gestreken wordt bij het zingen van de nationale hymne in de context van een laatste, plechtig eerbetoon door gezagsdragers aan de slachtoffers van een natuurramp wordt plots het symbool van de treurende natie, en kan mensen tot tranen toe bewegen. De symboolwaarde of symboliseringsvermogen van instituties neemt toe naarmate hun verwevenheid met andere instituties groter wordt. Die verwevenheid is een narratieve verwevenheid. De instituties vertellen als het ware het verhaal van de gemeenschap. In dat verhaal komt de gemeenschap tot leven: krijgt ze een samenhang, een profiel, een identiteit – de narratieve verbeelding van de macht: ook in dit opzicht zijn de vroegere samenlevingen ons voorgegaan. De mythe vormde destijds het narratieve kader dat de riten met elkaar verbond. Later nam de religie die verbindende rol binnen de gemeenschap over, en tot voor kort was het de ideologie als ‘seculiere religie’ (Raymond Aron) die de politiek in de moderne samenleving van een sterke verhaalstructuur voorzag.

Tot voor kort, want sinds de ideologische verbeelding van de macht fel aan betekenis heeft ingeboet, leest het verhaal van onze instituties een stuk moeilijker. Ter zake rest ons voorlopig alleen het liberale discours over ‘goed bestuur’, waarnaar ik aan het begin al verwees. Het voorgaande maakt echter duidelijk hoe problematisch dit vertoog wel is. Het wekt de suggestie dat de politiek niet méér is dan een hulpmiddel, een instrument, een supplement van de samenleving dat vooral kunde, competentie, en ondernemerschap onderstelt. Daarom, zo laat dit discours ons steeds weer verstaan, laat de burger de politieke zorg voor de gemeenschap het beste over aan technici en andere beroepspolitici, zodat hij zich voluit kan wijden aan de succesvolle uitbouw van het eigen individuele leven en dat van zijn dierbaren. Daarmee verhult dit betoog evenwel dat wat het betekent het eigen individuele leven succesvol uit te bouwen in belangrijke mate afhankelijk is van de gemeenschap waarin we leven. Werken aan wie we zijn in welke gemeenschap onderstelt daarom onvermijdelijk het participeren aan de politieke symbolisering ervan. Maar ‘goed bestuur’ vraag niet om participatie. ‘Goed bestuur’ wil vooral niet afgeleid worden. Zeker niet door de symboliek van de politiek.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.