Home De relevantie van relevantie

De relevantie van relevantie

Door Tim de Mey op 14 april 2016

Cover van 01-2016
01-2016 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Nadenken over scepticisme wordt soms gezien als een ijdele oefening in ‘filosofie om de filosofie’. Ten onrechte, vindt Tim de Mey. Het helpt juist twijfel en meningsverschillen productief in te zetten. Daarbij gaat het niet om ‘beter weten’ als zodanig, maar om de receptuur van probleemoplossing.
 
Een van de hardnekkigste vooroordelen jegens het scepticisme en de reactie erop is dat het alleen ‘filosofie om de filosofie’ zou zijn. Het zou slechts een steriele problematiek betreffen, die weliswaar filosofen die in een ivoren toren leven blijft biologeren, maar in de reële wereld geen maatschappelijke relevantie zou hebben.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het scepticisme kan ons er echter toe bewegen na te denken over onze eigen opvattingen en wereldbeelden, niet alleen in hun splendid isolation, maar vooral ook in relatie tot de alternatieve opvattingen en wereldbeelden van anderen. In een tijd waarin extreme houdingen van dogmatisme of fundamentalisme enerzijds en relativisme anderzijds welig tieren en aan de basis lijken te liggen van de meest nijpende maatschappelijke problemen, zou het een gemiste kans zijn om geen lering te willen of kunnen trekken uit het scepticisme. Fundamentalisme en relativisme vormen twee uiterste, niet-constructieve manieren om met twijfel en meningsverschillen om te gaan. Voor de fundamentalist is wat hij gelooft de  waarheid. Al wie er andere opvattingen op nahoudt moet er verbaal, of soms zelfs non-verbaal, aan geloven. Meningsverschillen bestaan er enkel in dat niet iedereen de fundamentalist het gelijk geeft dat hij meent te hebben. Voor de relativist daarentegen bestaat er geen waarheid los van individuele overtuigingen. Iets geloven, iets voor waar aannemen, maakt dat meteen ook waar voor de persoon die het gelooft. Twee mensen die een meningsverschil lijken te hebben, hebben allebei gelijk: het ene is waar voor de een, het andere voor de ander. De relativist ontkent het probleem dat het meningsverschil vormt; dat probleem lost op in het niets.

In deze bijdrage beargumenteer ik aan de hand van de benadering van kennis van de Britse filosoof John Langshaw Austin dat nadenken over het scepticisme geen ijdele oefening is in ‘filosofie om de filosofie’, maar ons juist leert hoe we op een constructieve manier kunnen omgaan met twijfel en meningsverschillen met anderen, hoe twijfel en meningsverschillen productief ingezet kunnen worden. Wat deze genuanceerde doch trefzekere manier oplevert, is het verkrijgen van nieuwe kennis of het uitdiepen van bestaande kennis. Wat het vergt, en tegelijk ook versterkt, is openheid voor alternatieve, rivaliserende opvattingen. En hoewel Austin het niet regelrecht gebruikt, is het sleutelbegrip daarbij: ‘relevantie’.

PROFESSIONELE TWIJFELAAR

Voordat we het begrip relevantie in stelling brengen, is het nuttig te analyseren hoe en waarin de houding die filosofen aannemen tegenover twijfel en meningsverschillen contraproductief kan zijn. Neem bijvoorbeeld aan de ene kant de pragmatistische houding van Charles Sanders Peirce en aan de andere kant de pyrronistische houding van Sextus Empiricus.
 
Peirce is ervan overtuigd dat mensen als handelende wezens geen enkele boodschap hebben aan de kunstmatige, papieren twijfel die het scepticisme zaait (zie ook De Regt en Dooremalen 2015). Twijfel is niet iets productiefs dat we moeten willen; twijfel is een irritante toestand die we moeten proberen te beslechten. Echte, levende twijfel is zelfs zo nadelig dat we ernaar neigen deze zo snel mogelijk weg te werken. Maar de overtuigingen waartoe we komen wanneer we snelheid verkiezen boven zorgvuldigheid zijn niet stabiel genoeg, deze kunnen opnieuw op de helling komen te staan. Alleen de methode van (wetenschappelijk) onderzoek brengt volgens Peirce definitief soelaas. Iedereen die de weg van het onderzoek ten einde toe bewandelt komt tot eenzelfde overtuiging, een overtuiging die onmogelijk opnieuw ten prooi kan vallen aan twijfel. Op het eerste gezicht staat de pyrronistische houding, de houding van de positieve scepticus (zie ook Wieland 2015), lijnrecht tegenover deze pragmatistische houding die Peirce zelf aanneemt en ons aanbeveelt. Een pyrronist is welhaast een professionele twijfelaar. Omdat hij geen rationele, onbevooroordeelde keuze kan maken tussen rivaliserende overtuigingen, schort hij systematisch al zijn meningen op. Die opschorting geeft hem ook een soort gemoedsrust, maar – en daaraan gaan de karikaturen van de pyrronist steevast voorbij – het belet hem niet te handelen. Als het erop aankomt, gaat de pyrronist voort op zijn indrukken. In de praktijk leidt een pyrronist doorgaans een doodgewoon, conventioneel leven. Het cruciale verschil met de dogmaticus is dat de pyrronist geen uitgesproken opvattingen, maar slechts indrukken nodig heeft om te kunnen handelen.
 
Zo beschouwd geldt voor de relatie tussen Peirce en de pyrronist: les extrêmes se touchent. Allebei verabsoluteren ze de twijfel en staan lijnrecht tegenover elkaar in hun extreem negatieve of extreem positieve appreciatie ervan. Ze hebben als gemeenschappelijk uitgangspunt dat de twijfel ons niet mag verlammen, dat er gehandeld moet worden en dat we niets anders kunnen doen dan te handelen op basis van onze voorlopige oordelen (of indrukken): onze vooroordelen.
 
Dit roept opnieuw de vraag op of we niet op een meer constructieve manier kunnen omgaan met twijfel en meningsverschillen. Bij Peirce is alleen de consensus boven twijfel verheven, een consensus die zich uiteindelijk vormt wanneer de weg van onderzoek ten einde toe wordt bewandeld. Laten we wel wezen: dat punt bereiken we nooit. En ook de pyrronist, die zich in een spagaat bevindt tussen onbevooroordeeld willen zijn – in zijn denken – en bevoordeeld moeten zijn – in zijn handelen – blijft voortdurend onderzoeken. Hij maakt alleen van de nood een deugd: aan deze onopgeloste spagaat ontleent hij gemoedsrust.
 

AUSTINS PUTTERTJE

Daar waar zowel de pragmatist als de pyrronist uiteindelijk een bijna defaitistische houding aannemen dan wel voorstaan tegenover twijfel en meningsverschillen, inspireert Austin ons in een van zijn essays over kennis, Other Minds (1979 [1946]), tot een meer constructieve houding. Zoals gebruikelijk geeft Austin talrijke voorbeelden, waaronder een op het eerste gezicht ietwat onnozel voorbeeld van een gesprekje tussen twee personen die een vogeltje zien in een tuin. Het gesprek verloopt ruwweg als volgt:
 
A (wijzend naar het vogeltje): ‘Kijk daar, een puttertje!’
B: ‘Waarom denk je (te weten) dat het een puttertje is?’
A: ‘Het heeft een rood kopje.’
B. ‘Ben je wel zeker? Spechten hebben toch ook een rood kopje?’
A: ‘Ja, maar toch weet ik dat het een puttertje is; kijk maar naar de oogtekening!’
 
Wat gebeurt hier? B vraagt aan A om een verantwoording of rechtvaardiging te geven van A’s toepassing van de classificerende term ‘puttertje’. A’s verantwoording bestaat uit het noemen van een relevant kenmerk, met name ‘een rood kopje’. Interessant is vervolgens dat B op basis van dat kenmerk een alternatief opwerpt: het zou ook een specht kunnen zijn. A kan dat alternatief, die rivaliserende hypothese, ten slotte uitsluiten op basis van een ander relevant kenmerk, de oogtekening.
 
In dit voorbeeld loopt alles volkomen volgens het boekje. Ten eerste is A op de vraag van B bereid de oorspronkelijke kennisclaim te verantwoorden. Zo hoort het ook volgens Austin: aan iemand, in dit voorbeeld aan zichzelf, kennis toeschrijven, houdt in dat de betrokkene zich in een positie bevindt waarin de opvatting in kwestie desgevraagd verantwoord of gerechtvaardigd kan worden. A speelt die rol ook met verve: A ontwijkt B’s vraag niet, maar komt daadwerkelijk op de proppen met iets wat als een verantwoording of rechtvaardiging kan worden beschouwd, een kenmerk. Dat is niet om het even welk kenmerk, het is een relevant kenmerk, want puttertjes hebben ook daadwerkelijk rode kopjes.
 
Ten tweede houdt ook B zich aan de regels die van toepassing zijn op wie een kennisclaim ter discussie wil stellen. B’s alternatieve hypothese, dat wat een puttertje lijkt wel eens een specht zou kunnen zijn, is geen willekeurig alternatief. Het is een relevant alternatief, want net als puttertjes hebben spechten rode kopjes. Ten derde en ten slotte slaagt A erin het relevante alternatief – de rivaliserende hypothese dat wat een puttertje lijkt, wel eens een specht zou kunnen zijn – uit te sluiten op basis van een ander relevant kenmerk, een kenmerk dat verantwoordt of rechtvaardigt waarom het vogeltje een puttertje is en niet een specht.
 
De situatie had anders kunnen zijn. Met Austin hebben we even aangenomen dat het vogeltje een puttertje was. Stel nu dat de situatie anders was en dat het vogeltje een specht was in plaats van een puttertje. Dan had het gesprek, opnieuw volkomen volgens het boekje, als volgt kunnen aflopen:
 
B: ‘Ben je wel zeker? Spechten hebben toch ook een rood kopje?’
A: ‘Oh potverdorie, je hebt gelijk. Het is een specht en geen puttertje; kijk maar naar de
oogtekening!’
 
In dat geval zou A tot het inzicht zijn gekomen vermeende kennis te hebben gehad: A geloofde dat het vogeltje een puttertje was, A had daar ook een goede, want relevante, reden voor, maar toch bleek het een specht te zijn en geen puttertje. In dit aangepaste voorbeeld is A dus tot nieuwe kennis gekomen. Ook in het oorspronkelijke voorbeeld is er epistemisch iets gebeurd. A wist al dat het vogeltje een puttertje was, maar door B’s (nieuwe) alternatief dat het een specht zou kunnen zijn, te overwegen en uit te sluiten, diept A die kennis uit. Het overwegen en uitsluiten van het alternatief wordt onderdeel van en voegt iets toe aan de verantwoording van A’s opvatting.
 

DROMEN OF ZIEN?

De situatie kan nog veel ingrijpender anders zijn. B zou bijvoorbeeld een doorgewinterde scepticus kunnen zijn, erop uit om niet alleen A’s specifieke kennisclaim, maar alle mogelijke kennisclaims te ondermijnen. Dat zou niet eens zo moeilijk zijn. B zou kunnen volstaan met slechts een sceptisch alternatief op te werpen, een rivaliserende hypothese die A onmogelijk kan uitsluiten. In plaats van op te werpen dat wat een puttertje leek, wel eens een specht zou kunnen zijn, zou B bijvoorbeeld kunnen aanstippen dat het denkbaar en bijgevolg mogelijk is dat A niet daadwerkelijk een puttertje ziet, maar slechts droomt een puttertje te zien. En dat geldt dan mutatis mutandis voor alle overige overtuigingen van A en voor alle andere A’s (overigens met inbegrip van B zelf). Vaarwel kennis!
 
Er zijn evenwel heden ten dage twee benaderingen van het scepticisme die de schade die het scepticisme aanricht beperken: het contextualisme en het relevantisme. Volgens deze benaderingen is het wel degelijk mogelijk dat iemand iets weet. Of iemand iets weet of niet, hangt af van de context.
 
Volgens het contextualisme bepaalt de context of een sceptisch alternatief al dan niet opvallend of belangrijk is. Alleen wanneer een sceptisch alternatief binnen de context opvallend of belangrijk is, ondermijnt het de oorspronkelijke kennisclaim. Toegepast op Austins voorbeeld weet A bij het begin van het gesprek dat het vogeltje een puttertje is. Daarmee is meteen ook geïmpliceerd dat A weet niet te dromen een puttertje te zien. Door dat sceptisch alternatief te benoemen, kan B de context dusdanig veranderen dat A niet langer weet dat het vogeltje een puttertje is. Dan zou het gesprek als volgt verlopen:
 
B: ‘Ben je wel zeker? Je zou toch kunnen dromen een puttertje te zien?’
A: ‘Oh potverdorie, je hebt gelijk. Ik weet niet meer of ik een puttertje zie.’
 
Deze toepassing op Austins voorbeeld illustreert meteen een van de problemen waarmee het contextualisme af te rekenen heeft. Het contextualisme komt namelijk wel dicht in de buurt van regelrecht scepticisme. Kennis is enerzijds nog wel mogelijk, maar is anderzijds extreem kwetsbaar. Zodra iemand doordrongen raakt van een sceptisch alternatief en de bijhorende onmogelijkheid dit uit te sluiten, heeft de betrokkene geen kennis meer, of is althans de oorspronkelijke kennisclaim afdoende ondermijnd. We kunnen nog een stapje verder gaan. In onze analyse van Austins oorspronkelijke voorbeeld bleek A’s oorspronkelijke kennisclaim – het vogeltje is een puttertje – uitgediept te worden doordat A de rivaliserende hypothese van B – het vogeltje zou een specht kunnen zijn – onder ogen nam en kon uitsluiten. Rivaliserende hypothesen onder ogen nemen kan dus bijzonder productief zijn. Maar als we de redenering van de contextualist volgen, doen we er beter aan ons zo weinig mogelijk te confronteren met rivaliserende hypothesen; zodra we een alternatief overwegen dat we niet kunnen uitsluiten, hebben we geen kennis meer.
 

ONDUBBELZINNIG MANCO

Volgens Mark Kaplan (2008; 2011a; 2011b) is Austin in Other Minds een voorloper van dat contextualisme. Daar valt zeker iets voor te zeggen, want volgens Austin hangt of iemand iets weet af van de conversationele context. Desalniettemin zal ik beargumenteren dat het Austin niet te doen is om de vraag of een rivaliserende hypothese binnen de context opvallend of belangrijk is, maar om de vraag of het alternatief binnen de context relevant is. Dat maakt hem veeleer tot een voorloper van het relevantisme dan van het contextualisme. Dit verschil is cruciaal; het betekent dat Austin geen duimbreed toegeeft aan het scepticisme, maar veeleer in antwoord erop een constructieve manier bedenkt om met twijfel en meningsverschillen om te gaan.
 
Een flink stuk van Other Minds kijkt doelbewust mee door de ogen van sprekers die hetzij, zoals A, zelf een kennisclaim maken en verantwoorden, hetzij, zoals B, iemand anders’ kennisclaims ter discussie stellen. Austin probeert te achterhalen waartoe een spreker zich (impliciet) committeert wanneer hij of zij dergelijke taaldaden stelt. A heeft bijvoorbeeld geclaimd dat het vogeltje een puttertje is en heeft ter verantwoording aangevoerd dat het een rood kopje heeft. Austins vraag hierbij is: onder welke voorwaarden is het, in die context, toelaatbaar dat B tegen A zegt dat die verantwoording niet genoeg is, en derhalve om een nadere verantwoording vraagt? Austins antwoord:
 
Als je zegt: ‘Dat is niet genoeg’, dan denk je aan een min of meer ondubbelzinnig manco. ‘Wil het een puttertje zijn, dan moet het niet alleen een rood kopje hebben, maar ook nog de kenmerkende tekening rond het oog hebben’, of: ‘Hoe weet je dat het geen specht is? Ook spechten hebben een rood kopje.’ Als er geen sprake is van een ondubbelzinnig manco, waarbij je ten minste bereid bent om het desgevraagd te specificeren, dan is het dwaas (ongehoord) om gewoon te blijven zeggen: ‘Dat is niet genoeg.’ (De Mey 2014: 207)
 
Hoe kan een verantwoording een ondubbelzinnig manco vertonen? Dat kan alleen wanneer het in de desbetreffende context duidelijk is dat A relevante kenmerken of alternatieven over het hoofd heeft gezien, of althans niet ter verantwoording heeft aangevoerd. Wat maakt de kenmerkende tekening rond het oog relevant? In de voorliggende context kan het helpen het probleem op te lossen, namelijk door het verschil te maken tussen een puttertje en een ander soort vogeltje met een rood kopje. Wat maakt B’s alternatief van de specht relevant? Opnieuw kan het helpen het probleem op te lossen, namelijk door op zoek te gaan naar kenmerken die, in tegenstelling tot een rood kopje, wel het verschil kunnen maken tussen een puttertje en een specht. Vervolgens stelt Austin de vraag wanneer het dan genoeg is, dus wanneer A’s verantwoording van de kennisclaim dat het vogeltje een puttertje is, toereikend is:
 
‘Genoeg is genoeg: het betekent niet alles. Genoeg betekent genoeg om aan te tonen dat het (redelijkerwijs en in de voorliggende context) “niets anders kan zijn” en dat er geen ruimte is voor een alternatieve, concurrerende beschrijving. Het betekent bijvoorbeeld niet genoeg om aan te tonen dat het geen opgezet puttertje is.’ (idem: 207)
 
Hiermee uit Austin zich duidelijk als relevantist: om iets te weten, hoef je niet alle denkbare, mogelijke alternatieven uit te (kunnen) sluiten, maar enkel die alternatieven die in de context relevant zijn. Natuurlijk zijn er contexten denkbaar waarin de hypothese dat wat een (levend) puttertje lijkt te zijn, in feite een opgezet puttertje is, relevant zou zijn. Bijvoorbeeld als A en B een bezoek zouden brengen aan een ornithologisch museum. In de voorliggende context is dat alternatief niet relevant. Daarom kan A weten dat het vogeltje een puttertje is, zonder te (kunnen) weten dat het geen opgezet puttertje is, laat staan dat A zou moeten (kunnen) uitsluiten te dromen een puttertje te zien.
 
Door te eisen dat de alternatieven die uitgesloten moeten kunnen worden om iets te weten relevant horen te zijn, geeft het relevantisme – in tegenstelling tot het contextualisme – geen duimbreed toe aan het scepticisme. Er is namelijk geen enkele context waarin een sceptisch alternatief relevant kan zijn. Waarom niet? Sceptische alternatieven zijn precies zo bedacht en geconstrueerd dat die onmogelijk uitgesloten kunnen worden, geen enkel verschil kunnen maken en geenszins kunnen helpen om een voorliggend probleem op te lossen. Sceptische alternatieven zijn probleemstellend, niet probleemoplossend; die zorgen voor een impasse waarvoor per definitie geen uitweg is. Relevante alternatieven zijn natuurlijk ook deels probleemstellend, maar dat is tegelijk hun kracht: door deelproblemen te definiëren, waarvoor er wel degelijk uitwegen zijn, dragen relevante alternatieven bij aan de (zorgvuldigheid van de) probleemoplossing.
 
Nu is bepalen tot welke soort een vogeltje behoort niet echt een complex, noch een acuut probleem. Maar het is duidelijk dat het oplossen van meer complexe, acute problemen, zoals het stellen van een complexe diagnose op basis van een aantal vage of onsamenhangende symptomen, evenzeer bemiddeld en gefaciliteerd wordt door het bedenken, overwegen en verifiëren van relevante alternatieven. Omgekeerd is het duidelijk dat het oplossen van dergelijke complexe problemen afgeremd en mogelijk zelfs geheel onmogelijk gemaakt wordt door het bedenken en overwegen van irrelevante alternatieven. Merk ook op dat het in een specifieke context moeilijk kan zijn te weten wat relevant is en wat niet, en dat creatieve probleemoplossing wellicht zelfs vergt dat er in de loop van het proces van probleemoplossing alternatieven overwogen worden waarvan de relevantie niet meteen duidelijk is. Dat neemt niet weg dat sceptische alternatieven, precies omdat die per definitie niet uitgesloten kunnen worden – de alternatieven maken per definitie geen enkel verschil, in geen enkele context relevant kunnen zijn. Op meta-niveau is er tussen scepticisme en relevantisme wel een impasse waarvoor geen uitweg is. Het antwoord van het relevantisme op het scepticisme is radicaal: het ondermijnt de argumenten van de scepticus van meet af aan. In zekere zin isdat een manco van het relevantisme; het is de kern van de bezwaren die Stroud (1984, hoofdstuk 2) maakt tegen Austins benadering (zie ook Blaauw 2015 voor andere bezwaren tegen het relevantisme).
 
Het voorbeeld van Austin illustreert echter dat de relevantist ook wel een inzicht ontleent aan de scepticus, namelijk het belang van closure. Dit houdt in dat iets weten impliceert dat mogelijke alternatieven uitgesloten zijn. De scepticus besluit uit de onmogelijkheid alle alternatieven uit te sluiten tot de onmogelijkheid van kennis. Voor de scepticus is het nooit genoeg. De relevantist meent daarentegen te kunnen volstaan met de eis dat alleen de relevante alternatieven uitgesloten moeten kunnen worden (vergelijk met Austins ‘genoeg is genoeg’). De relevantist verwerpt met andere woorden closure niet zonder meer, maar contextualiseert dit. De context bepaalt welke alternatieven relevant zijn en uitgesloten moeten kunnen worden, hetzij om tot nieuwe kennis te komen (zoals bij het oplossen van een probleem, bijvoorbeeld tot welke soort een vogeltje behoort), hetzij om reeds bestaande kennis te verdiepen (zoals dat het vogeltje wel degelijk een puttertje is en geen specht, ondanks het rode kopje). Er is geen enkele context waarin sceptische alternatieven in de eigenlijke zin van het woord – namelijk alternatieven die per definitie niet uitgesloten kunnen worden – relevant kunnen zijn.
 

CONSTRUCTIEVE TWIJFEL

Een belangrijke conclusie is dat we door na te denken over een adequaat antwoord op het scepticisme op het spoor gekomen zijn van een constructieve manier met twijfel en meningsverschillen om te gaan. Een meningsverschil definieert een probleem: de een gelooft het een, de andere het ander. Relativisme doet daar verder niets mee. Relativisme lost het meningsverschil niet op, maar laat het probleem verdwijnen in het niets. Fundamentalisme grijpt naar oneigenlijke middelen om zijn gelijk te halen. Fundamentalisme lost evenmin het meningsverschil op, het maakt het probleem alleen groter en moreel of maatschappelijk nijpender. De enige manier om het probleem dat een meningsverschil vormt op te lossen is dat meningsverschil daadwerkelijk aan te gaan. Dat vergt, in essentie, dat de twee partijen de nodige constructieve denkstappen zetten om elkaars verschillende meningen als relevante alternatieven te beschouwen en te overwegen.
 
Nu is bij een meningsverschil de relevantie van de rivaliserende overtuiging zeker geen gegeven. Het kan zelfs zijn dat het uiteindelijk onmogelijk blijkt, of per definitie onmogelijk, de rivaliserende overtuiging als een relevant alternatief te beschouwen en te overwegen. Dat is precies waarom bijvoorbeeld meningsverschillen tussen sceptici en antisceptici onmogelijk beslecht kunnen worden. De scepticus kan onmogelijk de restrictie aanvaarden dat enkel relevante alternatieven beschouwd of overwogen mogen worden, de antiscepticus kan onmogelijk sceptische alternatieven als relevant beschouwen en overwegen.
 
De relevantie van rivaliserende overtuigingen doordenken vergt zoveel denkwerk, openheid en inlevingsvermogen, dat we die in de praktijk lang niet altijd kunnen opbrengen. Ten eerste moet de een de overtuiging van de ander contextualiseren. Vervolgens moeten beide partijen samen een gemeenschappelijke context opzetten, een context waarin doorgaans niet alleen beide oorspronkelijke, rivaliserende overtuigingen relevant zijn, maar waarin ook verdere, alternatieve overtuigingen relevant blijken te zijn (vergelijk met ‘de waarheid ligt in het midden’). Ten slotte moet ook geverifieerd worden welke relevante alternatieven uitgesloten kunnen worden. Als we het kunnen opbrengen resulteert al dat denkwerk en die openheid uiteindelijk in een oplossing, waarbij een van de oorspronkelijke of een van de in de opgezette context als relevant alternatief geïdentificeerde opvattingen overtuigend is en werkelijk overtuigt.
 
Hierin ligt meteen ook de constructieve manier van omgaan met twijfel besloten. Twijfelen is immers een soort meningsverschil opzetten met jezelf. Ook hiervoor geldt dat de relevantie van de alternatieven waartussen je twijfelt geen gegeven is. Je moet die alternatieven relevant maken. In de context die je daarbij opzet zullen typisch nog meer relevante alternatieven opduiken. Maar door de alternatieven te doordenken en door vervolgens de relevante alternatieven te verifiëren, kun je uiteindelijk wel een keuze maken en tot een overtuiging komen.
 
De lering die we kunnen en moeten trekken uit het scepticisme gaat niet over ‘beter weten’ als zodanig; het gaat over de structuur en de receptuur van probleemoplossing. In dat opzicht brengen relativisme en fundamentalisme even weinig soelaas als het aan de slag blijven met onze vooroordelen, wat Peirce en de pyrronist praktisch gesproken voorstaan (en wat meer recent opnieuw theoretisch aangemoedigd wordt door Sandel 2014). Einstein heeft slechts deels gelijk met zijn stelling dat het moeilijker is een vooroordeel te kraken dan een atoom te kraken. De structuur en de receptuur van het aangaan van een meningsverschil enerzijds en het oplossen van een theoretisch probleem anderzijds zijn verwant.
 
Het vergt het bedenken, overwegen en verifieren van mogelijke alternatieven, het alert blijven doordenken van de context en de relevantie van de alternatieven en – waar dat ontbreekt – het opzetten van een context en het relevant maken van de alternatieven.