Home Politiek De plakkracht van het label ‘populisme’
Politiek

De plakkracht van het label ‘populisme’

Door Tim Houwen op 30 oktober 2014

Cover van 02-2010
02-2010 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Sinds de Fortuynrevolte is de term ‘populisme’ niet meer weg te denken uit het Nederlandse publieke debat. Enerzijds krijgen partijen als de SP, de PVV en Ton vaak het verwijt populistisch te zijn. Anderzijds vinden de traditioneel grote partijen zoals de PvdA en de VVD juist dat ze wat meer populistisch zouden mogen of moeten zijn. Wat wordt bedoeld met ‘populistisch’? En waarom krijgen partijen als de SP, de PVV en Ton het label ‘populisme’ opgeplakt?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Deze bijdrage valt in twee delen uiteen. In de eerste plaats zal ik proberen te verklaren waarom aan bepaalde politieke partijen populisme wordt toegeschreven. Deels heeft dit te maken met hun specifieke gedragingen die onderdeel zijn van wat ik het populistisch repertoire zal noemen. In de tweede plaats laat ik aan de hand van het populistisch repertoire zien dat verschillende elementen binnen dit repertoire zich moeiteloos laten verbinden met de meest uiteenlopende politieke samenstellingen.

Labelproces

Bij het labelen van politieke partijen als populistisch kunnen vier aspecten worden onderscheiden: het label ‘populisme’ zelf, degene die het label plakt, het politieke verschijnsel waarop het label wordt geplakt en ten slotte de plakkracht van het label.

Populisme is een van de vele politieke labels die polemisch kunnen worden ingezet en daardoor een pejoratieve of juist positieve betekenis krijgen. Enerzijds fungeert ‘populisme’– evenals ‘fascisme’, ‘communisme’ en ‘extreemrechts’ – als scheldwoord dat door zelfverklaarde democraten wordt gebruikt om bepaalde politici of politieke partijen te diskwalificeren. De negatieve connotatie van het label verklaart waarom degene die als ‘populist’ wordt getypeerd zich veelal zal verzetten tegen deze typering. Anderzijds geven sommige politici, zoals Rita Verdonk van TON of Ronald Sörensen van Leefbaar Rotterdam, juist een positieve draai aan de betekenis van het label en gebruiken de term als een geuzennaam. Een politicus in een democratie, zo merkt Verdonk op, behoort zich juist veel gelegen te laten liggen aan de wensen van het volk.
Degene die het label ‘populisme’ plakt op bepaalde politieke verschijnselen, doet dat nooit op neutrale wijze. Nu kan men zeggen dat dit voor iedere beschrijving van de empirische werkelijkheid geldt. Een zuiver empiristisch standpunt waarbij wordt uitgegaan van het idee dat enkel de zintuiglijke ervaring de bron is van al onze begrippen is immers problematisch vanuit het idee dat mensen de werkelijkheid ook altijd structuren met bepaalde begrippen en labels.
 
Maar in het geval van populisme is bovenstaande opmerking niettemin relevant vanwege het polemische karakter van het begrip. Populisme articuleert een vijandige oppositie tussen ‘het volk’ en een als corrupt voorgestelde elite waartoe ook academici behoren. Omgekeerd geldt meestal echter ook dat academici een hekel hebben aan populisten. Dit betekent ook dat ik mij als interpretator van populisme onherroepelijk in dit polemische krachtenveld bevind. Populisme is echter niet louter een politiek label dat polemisch wordt ingezet, maar is ook een politiek verschijnsel dat pas onder een specifieke historische constellatie van voorwaarden kon opkomen. De term populisme deed immers pas zijn intrede aan het einde van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten, onder de condities van een representatieve democratie. Een representatieve democratie kenmerkt zich door een tweetal spanningen die een structurele ontevredenheid bij burgers over het functioneren van de democratie teweegbrengen. In de eerste plaats vertrekt democratie vanuit het idee dat het volk zichzelf bestuurt, maar kan de macht van het volk alleen worden uitgeoefend via politieke vertegenwoordigers die altijd andere politieke beslissingen kunnen nemen dan de individuele burgers wensen. In de tweede plaats kenmerkt een representatieve democratie zich door een samengaan van democratische en aristocratische elementen: enerzijds hebben alle burgers het gelijke recht om een stem uit te brengen bij verkiezingen, maar anderzijds brengen juist verkiezingen voortdurend nieuwe politieke elites voort die beter in staat worden geacht politieke beslissingen te nemen dan gewone burgers. De structurele ontevredenheid die deze spanningen genereren, wordt op een specifieke wijze gemobiliseerd door het populisme. Het populisme is daarom niet alleen een politiek label, maar ook een begeleidend politiek verschijnsel van de representatieve democratie.
 
Of er een correspondentie bestaat tussen populisme als politiek fenomeen en populisme als politiek label is in zekere zin contingent. Eenzelfde politiek verschijnsel kan immers met verschillende labels – bijvoorbeeld ‘populistisch’ en ‘nationalistisch’– worden getypeerd. Omgekeerd geldt ook dat eenzelfde label op zeer uiteenlopende politieke verschijnselen kan worden geplakt. Zo wordt het label ‘populisme’ niet alleen toegeschreven aan specifieke gedragingen van politici of politieke partijen, maar ook aan media zoals De Telegraaf, SBS6, Radio 538 en GeenStijl.nl.
De mate van overeenkomst tussen het label en het empirische verschijnsel hangt af van de plakkracht van het label. Die bepaalt of en de mate waarin het label blijft plakken op bepaalde politieke verschijnselen. De plakkracht is in de eerste plaats afhankelijk van de ‘specifieke tijdgeest’. Sommige elementen van verschijnselen die nu als ‘populistisch’ worden bestempeld, werden gedurende andere perioden als ‘extreemrechts’, ‘nationalistisch’, ‘fascistisch’ of ‘communistisch’ getypeerd. De uitdrukking ‘vol is vol’ van Janmaat in de jaren tachtig bijvoorbeeld werd als ‘rechts-extremistisch’ gekarakteriseerd, terwijl een soortgelijke bewering door Fortuyn werd geëtiketteerd met ‘populisme’. Een mogelijke verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat door het veelvuldig gebruik van een specifiek label in het publieke debat dit label salonfähig wordt en daarmee aan politieke betekenis inboet. Als gevolg van deze salonfähigkeit neemt de plakkracht van het label af en droogt de plak uiteindelijk zelfs op, waardoor het niet meer wordt toegepast en er een nieuw label zoals populisme voor in de plaats komt.
 
De plakkracht van het label ‘populisme’ is daarom mede afhankelijk van de mate waarin vertogen over populisme worden gegenereerd. Bovendien mobiliseert de etikettering ook allerlei politieke strategieën tegen populisme: politieke partijen weigeren samen te werken met populistische partijen en organiseren een cordon sanitaire in of stellen voor de overheidsbijdrage aan deze partijen stop te zetten. De vertogen over populisme en de politieke strategieën tegen populisme kunnen worden gezien als symptoom of indicatie van de plakkracht van het label. Enerzijds neemt die plakkracht toe naarmate er meer vertogen en politieke strategieën worden ingeroepen. Anderzijds zal veelvuldig gebruik van het label er uiteindelijk ook toe leiden dat de plakkracht ervan afneemt.
In de tweede plaats is de plakkracht van het label afhankelijk van de mate waarin het geplakt wordt op specifieke verschijnselen die onderdeel zijn van een populistisch repertoire. Om de plakkracht van het label te bepalen, zal ik een omschrijving van populisme stipuleren. Ik zal daarbij vertrekken vanuit het idee dat populisme evenals fascisme, communisme en nationalisme behoort tot de familie van verschillende -ismen.

Populisme als -isme

Ik vat een -isme ideaaltypisch op als een constellatie van ideologemen, praktijken en stijlelementen, georganiseerd of bijeengebracht rondom een specifiek middelpunt. Een specifiek -isme karakteriseert zich door een bijzonder middelpunt. Dit middelpunt refereert aan een typische idee dat de verschillende ideologemen, praktijken en stijlelementen verbindt als elementen van een geheel. Dat wil zeggen: de idee verbindt niet alleen de ideologemen tot een geheel, maar verbindt ook de praktijken tot een geheel met die ideologemen en verbindt ten slotte de stijlelementen tot een geheel met de ideologemen en de praktijken. In het nationalisme bijvoorbeeld verbindt de idee van de natie de verschillende elementen tot een geheel, in het communisme is dat de idee van het proletariaat. Specifiek aan populisme is dat dit geheel van ideologemen, praktijken en stijlelementen wordt georganiseerd rondom de idee dat het volk een homogene groep is: het volk-als-één.

In het populisme fungeert niet de idee van het volk als zodanig als middelpunt, maar de monolithische invulling ervan. Een drietal dimensies kan hierbij worden onderscheiden. In de eerste plaats is er in het populisme geen plaats voor horizontale scheidslijnen en klassieke links-rechtstegenstellingen. Het volk wordt voorgesteld als een homogene en deugdzame entiteit. Dit roept echter wél een verticale scheidslijn op. De wijsheid en deugdzaamheid die bij het volk worden gelegd gaan immers gepaard met een anti-intellectuele dimensie: het volk zelf is beter in staat de problemen op te lossen dan politici die het contact met de samenleving verloren hebben. Het homogene volk wordt daarom, ten tweede, ook voorgesteld als een soeverein volk. Democratie betekent machtsuitoefening door het soevereine volk in plaats van door politieke vertegenwoordigers die slechts hun eigenbelang of het belang van een bepaalde minderheid representeren. Ten slotte heeft het deugdzame volk zijn wortels in een specifieke geschiedenis en tradities. Het homogene volk belichaamt als het ware een ideaal dat moet worden herontdekt op grond van een geselecteerd en geprefereerd verleden. Dit terugverlangen naar een ideaal verleden verklaart ook de behoefte van het populisme om de culturele eigenheid van het volk te beschermen en te herontdekken.
 
Het idee dat het volk een homogeen blok is, kan zelf worden uitgedrukt in termen van ideologemen. Een ideologeem is de kleinst mogelijke kenbare eenheid in een ideologisch vertoog en kan wellicht het gemakkelijkst worden uitgelegd door een vergelijking met een concept. Anders dan een concept heeft een ideologeem een logische én een verhalende of verbeeldende component. Specifieke ideologemen in het populisme zijn bijvoorbeeld ‘het homogene volk’, ‘de corrupte elite’ en ‘de linkse kerk’. De uitdrukking ‘corrupte elite’ kan worden uitgeschreven in een logische propositie – bijvoorbeeld: ‘er is een politieke elite in een bepaald land die niet luistert naar de wil van het volk’ –, maar ze valt er niet mee samen, juist vanwege het expressieve en beeldende karakter van het ideologeem. Het ideologeem ‘corrupte elite’ bezit een sterke affectieve en beeldende kracht en roept bij mensen onmiddellijke en herkenbare associaties op.
 
Ideologemen hebben daarom een specifieke en herkenbare betekenis. Tegelijkertijd blijft onbepaald waarnaar ze precies verwijzen. Om bij hetzelfde voorbeeld te blijven: naar wie of wat de ‘corrupte elite’ nu precies verwijst, blijft onduidelijk. Het is precies deze vaagheid die bepalend is voor de expressieve kracht van ideologemen. Een ideologeem ontleent zijn kracht aan de associatie en de impliciete suggestie die het oproept. De impliciete en daarmee deels verhullende boodschap die een ideologeem uitdrukt, maakt dat ideologemen ideologische constructen zijn. Ideologemen dienen vooral functioneel te worden begrepen: ze legitimeren en motiveren bepaalde politieke toestanden of handelingen en pogen daarmee een bepaald politiek doel te realiseren. Dit politieke doel kan gekoppeld zijn aan een utopische gedachte waarnaar gestreefd wordt. Het ideologeem ‘het homogene volk’ is bijvoorbeeld ideologisch van aard. Het volk is namelijk nooit werkelijk één. Het kan hooguit handelen als ware het één; tijdens verkiezingen bijvoorbeeld, wanneer het op voet van homogeen stemrecht beslist. Daarmee wordt ook meteen de eenheid van het volk gereduceerd tot individuele handelingen van burgers die allemaal hun stem mogen uitbrengen, resulterend in winnaars en verliezers.
 
Het idee dat het volk een homogene groep is, is wezenlijk voor het populisme en verbindt de verschillende elementen tot een geheel. Dit geheel van verschillende elementen vormt een herkenbaar populistisch repertoire. Onderstaande illustratie maakt dit duidelijk, waarbij ik overigens niet beweer volledig te zijn.

Populistisch repertoire

Ik zal nu ook de andere elementen van het populistisch repertoire kort bespreken. In de populistische praktijk wordt de vormgeving van het ‘ene volk’ gerealiseerd via ideologemen of via de toe-eigening van specifieke culturele symbolen. Hierbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan het voorstel dat Geert Wilders in 2007 deed om op ieder overheidsgebouw en iedere school in Nederland de nationale driekleur te laten wapperen. Hij vond bovendien dat op Nederlandse scholen kinderen iedere dag trouw aan de Nederlandse vlag zouden moeten beloven ‘als symbool voor Nederland en onze vrije democratie’. Een tweede voorbeeld is Verdonks referentie aan het Sinterklaasfeest in haar openingstoespraak van Trots op Nederland, als middel om zich de identiteit van ‘het ware Nederlandse volk’ toe te eigenen.

Het vorm geven aan het volk gaat in het populisme gepaard met een negatieve identificatie, het buitenplaatsen van groepen uit de volksgemeenschap. Afhankelijk van de wijze waarop het volk wordt geïdentificeerd behoren‘ corrupte politici’, ‘immigranten die onze baantjes komen afpakken’ of ‘de Europese Unie die zich met onze zaken meent te moeten bemoeien’ tot mogelijk gevaarlijke anderen. In de populistische praktijk wordt deze negatieve identificatie onder andere tot uitdrukking gebracht door het imago van de buitenstaander of het beeld van de pleitbezorger van het gezonde verstand tegenover ‘de typische politiek uit de Haagse kaasstolp’ te cultiveren (stijlelement) of door elk rechtsreeks debat uit de weg te gaan en zich niets aan te trekken van de democratische spelregels (politieke praktijk).
 
Analoog aan het homogene volk is er de ‘verlossende leider’, een messianistische figuur die de remedie biedt tegen een als corrupt voorgestelde elite. Vanwege de veronderstelde homogeniteit van het volk kan de ‘verlossende leider’ claimen een directe en onbemiddelde relatie met het volk te bezitten. Deze onmiddellijkheid uit zich in een sterke centralisering van het leiderschap en ⁄ een zwakke institutionele uitbouw van de eigen politieke partij(politieke praktijk).
 
De partij moet immers zelf ook één zijn. ‘De verlossende leider’ cultiveert de identificatie tussen hem en het volk door het beeld op te roepen van de gewone man (stijlelement). Hoewel hij er soms een flamboyante levensstijl op nahoudt– denk aan Pim Fortuyns koketterie met zijn homoseksualiteit – probeert hij of zij zich niet als superieur, maar juist als gewone man te presenteren om op die manier te pretenderen één te zijn met en van het volk. Omdat in het populisme de wijsheid bij het volk wordt gelegd en niet bij een elite moet tenslotte ‘de gang naar het volk’ worden ingezet en moeten politici de wijken ingaan om de mening van het volk te peilen. Dat laatste maakt overigens ook duidelijk dat de verzameling van elementen van het populistische repertoire geen coherent geheel vormt, maar ook tegenstrijdigheden bevat. Zou het volk immers werkelijk homogeen zijn, dan is een beweging naar het volk noch noodzakelijk noch mogelijk. De omschrijving van het populistische repertoire maakt het mogelijk de relatieve plakkracht van het label te bepalen. Mijn hypothese is dat de cruciaal bepalende factor hiervoor de aanwezigheid of afwezigheid is van de idee van een homogeen volk. Wellicht zullen verschillende politieke partijen in meer of mindere mate en meer of minder frequent gebruikmaken van de genoemde elementen en wellicht daarom ook als ‘populistisch’ worden getypeerd, maar het specifiek populistische middelpunt is de idee van het homogene volk: het vormt de lakmoesproef van het populisme, dat wil zeggende test die uiteindelijk uitsluitsel geeft over de relatieve plakkracht van dat label. Alleen wanneer gedragingen, uitingen of praktijken worden gevoed door de idee van het homogene volk blijft het label ‘populisme’ plakken. Wanneer dezelfde gedragingen niet worden georganiseerd rondom de idee van het homogene volk zal het label uiteindelijk niet blijven kleven.
Hoewel enkel de idee van het homogene volk essentieel is voor populisme, blijft de plakkracht van label niettemin ook afhankelijk van de mate waarin politici wel of niet gebruikmaken van de verschillende elementen uit het populistische repertoire. De plakkracht van het label neemt toe naarmate een politicus of politieke partij gebruikmaakt van meer elementen uit het populistische repertoire. De plakkracht zal ook toenemen wanneer politieke partijen niet louter accidenteel – bijvoorbeeld alleen voorafgaand aan verkiezingen –, maar op substantiëlere of meer structurele wijze elementen uit het populistische repertoire mobiliseren.

Transponeerbaar populisme

De differentiëring tussen de verschillende elementen uit het populistisch repertoire maakt een aantal zaken over populisme inzichtelijk. In de eerste plaats verklaart het waarom verschillende politici die verschillende elementen uit het populistisch repertoire mobiliseren, toch herhaaldelijk hetzelfde label populisme opgeplakt krijgen. Het populistische repertoire dat bijvoorbeeld wordt ingezet door politicus A bevat andere elementen dan het populistische repertoire dat wordt gemobiliseerd door politicus B, maar beide zijn populistische repertoires vanwege de aanwezigheid van de specifiek populistische idee van het homogene volk. De verschillende elementen binnen het populistisch repertoire zijn daarentegen niet exclusief voor populisme en bijgevolg kan eenzelfde ideologem, politieke praktijk of stijlelement in verschillende democratische repertoires functioneren. De tendens om bijvoorbeeld politiek leiderschap te centraliseren is niet exclusief voor het populistische repertoire, maar een verschijnsel dat breder voorkomt.

In de tweede plaats is een populistisch repertoire niet gebonden aan een specifieke politieke context, maar is het juist transponeerbaar naar andere politieke omgevingen. Politieke partijen kunnen immers een populistisch repertoire uit een andere context overnemen. Een dergelijke overname vereist in de meeste gevallen een aanpassing aan de nieuwe omgeving, waardoor sommige elementen uit het repertoire zullen worden overgenomen, maar andere worden aangepast of verworpen. Pim Fortuyn deelde bijvoorbeeld de anti-establishment pose met het voormalige Vlaams Blok, maar wilde naar eigen zeggen niet de slogan ‘Eigen volk eerst’ in de mond nemen. In plaats daarvan sprak hij over de islam als ‘een achterlijke cultuur’ en ‘Nederland is vol’. Hoewel ook Fortuyn het idee van een monolithisch volk omarmde, wilde hij met zijn uitspraak ‘Nederland is vol’ – misschien in tegenstelling tot Vlaams Blok – niemand zijn burgerrechten afnemen.
 
Ten slotte kunnen ook de elementen binnen het populistische repertoire zich verbinden met de meest uiteenlopende politieke samenstellingen, die al of niet populistisch van aard zijn. Bepaalde elementen uit het populistische repertoire lenen zich er immers eenvoudig voor om door verschillende politieke partijen te worden geïncorporeerd. De populistische idee dat politici naar de burgers moeten luisteren en hiervoor de wijken moeten ingaan, werd bijvoorbeeld door het huidige Nederlandse kabinet na de verkiezingen in 2007 min of meer overgenomen toen zij een honderddagentour organiseerde en met burgers in gesprek ging over het nieuwe te voeren politieke beleid. De idee dat politici meer zouden moeten ‘luisteren naar de burger’ lijkt door gevestigde politieke partijen groten- deels te zijn overgenomen en heeft geleid tot enkele gevallen van zelfetikettering. Zo vond PvdA-voorman Wouter Bos een kleine twee jaar geleden dat de PvdA ‘populistischer moet worden en minder academisch’ en vond Rutte een jaar later eveneens dat de VVD ‘best populistisch mag zijn, mits ze niet vervalt in simplisme’. Het opnemen van dergelijke populistische elementen door gevestigde politieke partijen in hun eigen repertoire is vaak strategisch van aard, waarmee zij de door populisten gearticuleerde oppositie tussen het volk en de elite proberen te verkleinen. Hoewel deze voorbeelden laten zien dat de gevestigde politieke partijen elementen uit het populistisch repertoire overnemen, betekent dit nog niet dat deze politieke handelingen ook deel uitmaken van een populistisch repertoire. De centrale idee van het homogene volk blijft immers het onderscheidende criterium om te kunnen spreken van een populistisch repertoire.
 
Kortom, de gevestigde politieke partijen spelen weliswaar af en toe leentjebuur bij populistische partijen of bewegingen – en zullen daarom soms ook het label populisme opgeplakt krijgen of zich dat label zelf toe-eigenen – maar zolang de gedragingen van die partijen niet gevoed worden door de populistische idee van het homogene volk, zal het label niet blijven plakken. Evenzo zal de relatieve plakkracht van het label ‘populisme’ op partijen als de SP, de PVV of TON worden bepaald door de vraag of de verschillende praktijken of uitingen van die partijen met elkaar verbonden worden door de idee dat het volk een homogene groep vormt.