Home De mythe van de calculerende burger

De mythe van de calculerende burger

Door Peter Henk Steenhuis op 17 april 2006

04-2006 Filosofie magazine Lees het magazine

De Nederlandse filosoof Mandeville schreef begin achttiende eeuw een gedicht waarin hij het eigenbelang bezingt. Waar Mandeville de ondeugd nog moest verdedigen in zijn tijd, is de calculerende mens tegenwoordig – helaas? – het uitgangspunt van bedrijfsleven en overheid.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Het is een ijskoude dag in april als een jonge dame op zoek gaat naar rode zijde. Slechts eersteklas kwaliteit is goed genoeg voor haar, al wenst ze daar vanzelfsprekend geen cent te veel voor te betalen. Ze meent de toekomstige verkoper ook wel te kunnen overtuigen, goed, ze is misschien niet de mooiste vrouw van het land, ze is beslist aantrekkelijker dan de meeste vrouwen die zij kent. De vrouw gaat op weg, de verkoper op wie zij stuit is een gentleman aan wie alles schoon en modieus is. Hij troont haar mee naar zijn winkel waar hij haar zijn stoffen toont. De handelaar houdt zich in, wil niet te veel sturen, maar als zij haar keuze eenmaal heeft gemaakt, prijst hij haar smaak hemelhoog. Eigenlijk is het idioot dat hij niet eerder gezien heeft dat deze stof veel beter is dan al het andere dat hij te verkopen heeft. Hij vlijt en paait, en zorgt ervoor dat zij haar eigen oordeel overwaardeert. Vervolgens begint hij over de prijs, dat heikele vraagstuk kan onmogelijk vermeden worden.

‘Hij had zich voorgenomen, zegt hij, van dat stuk geen afstand te doen onder een bepaalde prijs, maar zij heeft, meer dan iemand anders aan wie hij ooit heeft verkocht, de gave hem al pratend zijn goederen afhandig te maken. Hij bezweert dat hij verlies maakt op zijn zijde, maar omdat zij er smaak voor heeft en vastbesloten is niet meer te geven, mag zij het van hem hebben, liever dan dat hij een dame zou beledigen voor wie hij zo'n ongewone waardering heeft, en hij smeekt alleen dat ze hem het een volgende keer niet zo lastig zal maken.’
De uitkomst laat zich raden: de verkoper krijgt de prijs die hij wenst en de vrouw vertrekt met het idee een schitterende deal te hebben gesloten.
 

Philipiro

Deze nette zijdehandelaar en de jonge dame ontmoetten elkaar niet gisteren op de Amsterdamse Albert Cuyp maar treden op in het verzameld werk van Bernard Mandeville (1670-1733), dat nu voor het eerst in het Nederlands vertaald is. Deze Nederlandse arts en filosoof is wereldberoemd, behalve in zijn vaderland. Mandeville groeide op in Rotterdam, waar hij naar de Latijnse of Erasmiaanse school ging, studeerde in Leiden en promoveerde in de geneeskunde en de filosofie.


Aan een allesomvattende, wijsgerige theorie heeft Mandeville zich nooit gewaagd. Filosofie diende om de geest binnen de grenzen van de rede te houden, en eventuele fouten van die geest te genezen. Verder lijkt hij de wetenschap van het lichaam minstens zo belangrijk te vinden. ‘Wij moeten er daarom bovenal voor zorgen dat het niet alleen de geest is die gezond is, maar ook het lichaam. In feite kan als het lichaam niet gezond is, de geest dit zeker niet zijn.’ Niet verwonderlijk dat hij zich graag Philopirio, liefhebber van de empirie, noemde.
Na zijn studie trok Mandeville richting Engeland om zich als arts te vestigen in Londen. Daar specialiseerde hij zich in maagstoornissen, zenuwziektes en psychosomatische kwalen. En hij schreef, tot aan zijn dood publiceerde hij ruim dertig werken die samen zo’n 2700 bladzijdes beslaan. Van al deze boeken is het gedicht De morrende korf, of Eerlijk geworden schurken verreweg het beroemdst.

Dit gedicht is geen ooggetuigenverslag van het dagelijkse leven in de achttiende eeuw, het is een satire, een fabel over een ‘Een ruime korf, goed bevolkt met bijen/ Die in luxe en welbehagen leefden.’ Die bijenkorf staat natuurlijk voor een samenleving, mogelijk de Nederlandse, want in het gedicht is sprake een ‘grote, rijke en krijgshaftige natie die door een constitutionele beperkte monarchie gelukkig wordt geregeerd’. Deze omschrijving komt redelijk overeen met de machtige zeventiende-eeuwse Republiek.  
 
Bij eerste lezing van De morrende korf krijg je de indruk dat Mandeville een sombere visie op de maatschappij heeft. Deugdzaam is de mens van nature zeker niet, laat staan geschikt om vreedzaam met anderen samen te leven. Advocaten, zo schrijft Mandeville, wekken twisten op en splitsen zaken om zo meer werk te hebben. ‘Artsen hechtten meer waarde aan roem en rijkdom/ Dan aan de kwijnende gezondheid van de patiënt/ Of aan hun eigen bekwaamheid.’ Kleermakers houden stof achter en soldaten blijven thuis en ontvangen dubbele betaling.

Toch is dit gedicht geen klaagzang over de mensheid. In tegendeel: ondeugden zijn geen ramp maar een zegen. Als we allemaal strikt deugdzaam zouden leven, dan wordt het niks. Binnen de kortste keren zitten we met elkaar onder een boom en eten de noten die op de grond gevallen zijn. De wereld gaat aan deugd ten onder: 
 
Aldus bevordert ondeugd vindingrijkheid,
Die samen met tijd en nijverheid
De gerieflijkheden van het leven,
Zijn werkelijke genoegens, welstand, gemak,
Tot zo’n hoogte had gebracht dat de echte armen
Beter leefden dan de rijken voorheen.
 
Voor de schrijfster en filosofe M. Februari is dat laatste tegenwoordig de vraag. ‘Het opmerkelijke van Mandeville is dat hij de ondeugden van de mens niet buiten de economische theorie heeft gehouden maar ze in het hart ervan plaatste. Ik heb het idee dat we nu moeten proberen de deugd weer in het zadel te helpen.’
Is hier een moderne moralist aan het woord? ‘Nee. Maar ik denk wel dat het belangrijk is te wijzen op het verschil tussen Mandeville’s tijd en de onze. Je ziet dat in de zeventiende, achttiende eeuw meer schrijvers hun aandacht richtten op zogenaamd onwenselijk gedrag. Denk aan Daniel Defoe (1660-1731) en Jane Austen (1775-1807). Als je Austin leest, valt op hoe ongelooflijk schijnheilig die samenleving was. Iedereen deed alsof hij deugde. Daarom riep Mandeville zo veel weerstand op: hij legde de vinger op de zere plek. Mandeville’s analyse raakt ons nu minder.’

Omdat wij minder schijnheilig zijn? ‘Ja’,  zegt Februari, ‘In het voorbeeld over de nette zijdehandelaar zie je de koopman gebruikmaken van de ijdelheid van de jonge dame. Destijds was het nieuw die ijdelheid openlijk aan de kaak te stellen. Nu zal niemand meer ontkennen dat ondeugd vindingrijkheid bevordert, dat we allemaal ijdel zijn en dat koopmannen daar gretig gebruik van proberen te maken. Wij zijn het met Mandeville eens, wij handelen volgens Mandeville, ja, wij leven Mandeville. Het is nu niet de tijd berekenend gedrag verder aan te moedigen.’
 

Leprakolonie

Dat wij Mandeville leven komt door de invloed die hij heeft gehad op economen na hem. Mandeville laat duidelijk zien dat wij vooral ons eigenbelang dienen, ook al lijken we nog zo hulpvaardig en opofferingsgezind. In haar boek uit 2000, Een pruik van paardenhaar & over het lezen van een boek, schrijft M. Februari over de gevolgen van deze opvatting: ‘Iedere keuze die iemand maakt is de vervulling van zijn wensen, de vervulling van zijn eigenbelang, en mocht iemand kiezen voor werk in een leprakolonie, dan blijkt uit die keuze dat zulk werk zijn voorkeur heeft. Alle vermeende altruïstische handelingen kunnen op deze manier worden teruggebracht tot egoïsme – egoïsme per definitie, ook wel rational choice genoemd.’  


Toen deze rationele, berekende mens zijn intrede deed in de economische theorie ontstond de homo economicus, een begrip waarmee politici, beleidsmakers en ondernemers nog altijd gretig strooien. ‘De filosoof Adam Smith (1723-1790)’, zegt Februari, ‘gebruikt het begrip aanvankelijk als een concept: laten we eens kijken wat er gebeurt als we ervan uitgaan dat het menselijk gedrag altijd beheerst wordt door de rationele keuze. Maar in de loop der tijd is de homo economicus zijn hypothetische karakter kwijtgeraakt en lijkt hij de basis te zijn geworden voor de gedragstheorie van de economische wetenschap.’

Is dat onterecht? Kijk naar de zijdehandelaar en de jonge dame, hoe hoffelijk ze zich ook schijnen te gedragen, beiden streven economische belangen na. ‘Klopt. Het kopen en verkopen van zijde is een simpele handeling waarbij eigenbelang inderdaad de hoofdrol speelt. Maar bij iets ingewikkeldere economische handelingen, zeg een arbeidsrelatie, is het eigenbelang weinig zaligmakend. De Nobelprijswinnaar voor economie Amartya Sen schrijft ergens: ‘Een organisatie geheel te laten drijven op het motief van persoonlijke winst, dat is welhaast een hopeloze opdracht.’

Vooral op het terrein van de publieke goederen is volgens Februari betrokkenheid van essentieel belang. ‘Als je de homo economicus vraagt naar een bijdrage voor de aanschaf van publieke goederen neigt hij naar parasitair gedrag: hij maximaliseert zijn persoonlijke welvaart door als free rider wel gebruik te maken van het publieke goed maar daarvoor zelf niet te betalen. Als iedereen zich zo zou gedragen, dan kwamen grote publieke werken nooit tot stand.’

Toch moedigt de overheid ons daartoe wel aan: we zijn niet langer collectief verzekerd maar kiezen de goedkoopste optie; we zijn niet langer studenten die onderwijs genieten maar consumenten die betalen en dus koning klant zijn. ‘Ja, dat is verbazingwekkend. Ik heb de laatste jaren veel discussies bijgewoond over allerlei maatschappelijke ontwikkelingen. Of het nu gaat om privatisering van het spoor, de verzelfstandiging van Schiphol en de energiebedrijven, of je spreekt op universiteiten of bij maatschappelijke organisaties, telkens opnieuw hoor je gemor over het denken dat uitsluitend uit is op het maximaliseren van winst. Alleen de machthebbers blijven hangen aan de homo economicus.’

‘Dat is kortzichtig: de markt van de zijdehandelaar is goed te overzien. Maar tegenwoordig is bijvoorbeeld de voedselmarkt zo geglobaliseerd dat de klant zich onmogelijk volledig kan informeren, en dus onmogelijk een afgewogen, rationele keuze kan maken. Als we ons slechts op kostprijs en concurrentie richten, wat gebeurt er met de voedselveiligheid? Willen we dat de minister om de haverklap onze hobbydieren moet laten ophokken? Op al die vragen heeft de homo economicus geen antwoord. Toch moeten we ze wel stellen.’
‘Daar komt nog iets anders bij: als we maar lang genoeg aangespoord worden om ons calculerend op te stellen, zullen we dat ook zeker gaan doen. Worden we te zeer gewezen op onze ondeugden, dan zullen we ze ook gaan uitbuiten.’

Maar Mandeville heeft vaak gezegd dat hij er niet op uit was ondeugden aan te wakkeren. Hij wilde alleen geen gehoor geven aan ‘zulke stomkoppen in de wereld die zich voorstellen dat ondeugden worden aangemoedigd wanneer zij over het voetlicht worden gebracht’. Februari: ‘Helaas, uit allerlei onderzoeken blijkt dit toch het geval. Neem de economiestudent. Als hij geschoold is in de klassieke economie en sterk gelooft in de homo economicus, heeft rechtvaardigheid weinig betekenis voor hem. Wordt hem bij een proef gevraagd wat hij met een gevonden bankbiljet zou doen, dan antwoordt hij opvallend “oneerlijker” dan studenten van andere faculteiten. Daarom zou ik Mandeville nu niet te lezen willen geven aan eerstejaars studenten of gebruiken bij een inburgeringscursus.’ 

‘Belangrijker nog dan het bestuderen van Mandeville is het zoeken naar een antwoord op Mandeville. Uit historisch oogpunt is het goed dat dit werk nu in zijn geheel in het Nederlands wordt uitgegeven. Maar Mandeville heeft zo effectief de spot gedreven met de deugd dat er weinig meer van over is. Vraag is nu hoe we zonder hypocriet te worden opnieuw iets van altruïsme en betrokkenheid in ons denken verankeren. Dat is een vraag voor schrijvers, ethici en politici.’
 
De wereld gaat aan deugd ten onder, door Bernard Mandeville vertaald en toegelicht door Arne C. Jansen, uitg. Lemniscaat, Rotterdam 2006, 300 blz., € 25,95
 
Bernard Mandeville
 
Geboren: 1670 (Rotterdam)
 
Gestorven: 1733 (Londen)
 
Opleiding: filosofie en geneeskunde in Leiden
 
Belangrijke werken: The Grumbling Hive: or, Knaves Turn’d Honest (1705). Dit dichtwerk vormde de basis voor The Fable of the Bees: or, Private Vices, Publick Benefits (1714) en The Fable of the Bees , Part II (1729)
 
Beïnvloed door: Franse moralistes, Pierre Bayle
 
Invloed op: Voltaire, Rousseau, Adam Smith  Friedrich von Hayek
 
Uitspraken:
‘Wat voor schade breng ik de mens toe, als ik hem meer met zichzelf bekend maak dan hij daarvoor was’
 
‘Eigenschappen waarvan we allemaal doen alsof we ons ervoor schamen, zijn het grote fundament van bloeiende samenleving’
 
Bijzonderheden:
Mandeville was een voorstander van legale prostitutie om de publieke reinheid te bewaren

Peter Henk Steenhuis