Home De estafette: Klimaatverandering (2)

De estafette: Klimaatverandering (2)

Door Herman de Regt op 07 november 2014

Cover van 01-2012
01-2012 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Sander Voermans idee  dat klimaatverandering een moreel probleem vormt, acht ik correct. We hebben immers weet van de globale opwarming van de atmosfeer, maar handelen niet naar die kennis in het licht van onze wens om ook voor komende generaties een leefbare wereld veilig te stellen. Dat is ongewenst gedrag.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Ik ben het ook eens met het idee dat klimaatverandering een probleem is in de politieke filosofie. We zien immers dat binnen het parlement de aanwezige kennis van atmosferische processen, die van levensbelang is voor het continueren van onze beschaving, nauwelijks een rol speelt in de politieke besluitvorming. Besluitvorming die erop gericht zou moeten zijn om tot een noodzakelijke gedragsverandering bij de burgers te komen. Noodzakelijk, omdat we goede redenen hebben te geloven dat alleen met een drastische gedragsverandering de gevolgen van globale opwarming enigszins af te zwakken of op te vangen zijn.

George Steiner maakte, na afloop van een Nexus-lezing, eens de opmerking dat er problemen zijn die een democratie misschien niet het hoofd kan bieden. Hoewel het niet evident is dat een democratie ongeschikt is om de welvaart en het welzijn op het hoogst haalbare peil te houden, doet Steiners opmerking opnieuw beseffen dat er inderdaad een spanning kan zitten tussen de wil van het electoraat en de kennis van de experts die aangewend zou moeten worden om welvaart en welzijn voor datzelfde electoraat veilig te stellen. Philip Kitcher heeft zich over dit probleem gebogen in zijn baanbrekende Science, Truth, and Democracy.

Onderwezen burgers lijken een democratie sterk genoeg te maken om politiek te kunnen beslissen wat in het belang is van welvaart en welzijn van diezelfde staatsburgers. Maar juist ons voortschrijdend inzicht binnen de psychologie toont aan dat dit te naïef gedacht is. We hebben intussen goede redenen om aan te nemen dat een democratie, waarin wordt gestreefd naar een steeds grotere inspraak van burgers, grote problemen zoals het afzwakken of opvangen van de gevolgen van klimaatverandering, simpelweg niet kan oplossen.

De grote Kantiaanse vraag, ‘Was ist der Mensch?’, wordt beter beantwoord door onze bevindingen in de wetenschap, dan onze ‘diepfilosofische’ inzichten. Een filosofie die vasthoudt aan het idee dat wetenschap iets anders is dan filosofie, maakt zichzelf volstrekt overbodig. Beter is het in de slipstream van David Hume’s werk te komen tot verdere verhelderingen van de aard van de mens om die vervolgens aan te wenden in discussies over hoe te handelen in de netelige kwestie van klimaatverandering.

De wetenschap toont hoezeer de mens juist niet tegemoet komt aan het idee van een consistent denkend, autonoom individu dat rationeel keuzes overweegt, situaties juist beoordeelt, en redelijke wensen koestert. Daniel Kahneman somt alles prachtig op in zijn Thinking, Fast and Slow. Het is inderdaad zoals Hume zei: onze rede is de slaaf van onze hartstochten. De neodarwinistische theorie over het ontstaan van de mens, in combinatie met eenzelfde oriëntatie op de psyche van de mens, geeft ons zeer goede redenen aan te nemen dat ieder mens een combinatie is van, aan de ene kant, fylogenetische instincten en ontogenetische gewoontes, en aan de andere kant, (even natuurlijke) leercapaciteiten.

De cruciale vraag is nu of die laatstgenoemde kneedbaarheid van de hersenen (het leervermogen) per generatie voldoende is om een goed functionerende democratie te realiseren, dat wil zeggen, een democratie die zelfs een probleem als klimaatverandering onder ogen kan zien om vervolgens te doen wat ons te doen staat (altijd in het licht van realistische wensen).

Ik neig ernaar, gegeven wat we nu weten, te zeggen dat die kneedbaarheid van de hersenen niet voldoende is voor zo’n democratie, zeker niet wanneer we steeds meer en vaker inspraak van burgers toestaan. Te zeer laten burgers en politici zich (vanzelfsprekend en begrijpelijk) leiden door hun (onbewuste) hartstochten – te weinig zijn zij doorgaans getraind om tot juiste (rationele en redelijke) beslissingen te komen: in concreto, op welke partij te stemmen of welk politiek besluit te nemen, gegeven een te realiseren doel.

Natuurlijk, onderwijs is in alle opzichten de beste remedie om een democratie sterker te maken. Het is dus zaak als overheid daar fors in te investeren. De vraag komt dan als vanzelf boven drijven of politieke beslissingen steeds, en met betrekking tot alle problemen, genomen moeten worden binnen een parlementair bedrijf dat eerder gestuurd wordt door de min of meer emotionele wensen van het electoraat en de op zetels jagende Tweede Kamerleden, dan door opgeleide experts.

De vooroordelen die zich in ons denken en doen hebben vastgezet, maken het moeilijk om ons te trainen in het goed nadenken, maar niet onmogelijk. We staan niet met volstrekt lege handen. We hebben immens veel geleerd over de wereld en over onszelf, precies in de wetenschap. We zouden wel heel dom zijn om daar geen gebruik van te maken – maar misschien zijn we wel zo dom. De urgente vraag is dus of ons huidige democratische systeem voldoende waarborgt dat we gebruikmaken van de kennis die we inmiddels hebben vergaard. Het is het probleem hoe expertise ingezet kan worden in politieke besluitvorming. Voor een oplossing is een klimaatverandering nodig.

Onze democratie heeft geen oog voor expertise als zij voor belangrijke beslissingen te rade gaat bij de burgers. Juist in het licht van grote problemen als klimaatverandering, bepleit ik daarom een vorm van meritocratie: met betrekking tot urgente, zeer complexe problemen, die met grote waarschijnlijkheid vragen om moeilijk te realiseren gedragsveranderingen, laten we de experts zeggen wat we moeten doen.
Zoals nu vaak bij grote vraagstukken geroepen wordt om volksreferenda, zouden we ook kwesties moeten reserveren die enkel het domein zijn van experts die hun sporen hebben verdiend. Uiteraard kan dit alleen wanneer we het in die gevallen eens zijn over het collectieve goed dat we willen nastreven. In het geval van klimaatverandering lijkt er consensus te zijn over wat we willen realiseren: een situatie waarin komende generaties ons niet het verwijt kunnen maken dat we hebben verzuimd naar onze beste wetenschappelijke kennis te handelen.

In deze rubriek vertelt een filosoof wat hij of zij het belangrijkste filosofische probleem van dit moment vindt en geeft daarna het stokje door.