Home De estafette: Een nieuw soort kolonialisme

De estafette: Een nieuw soort kolonialisme

Door Martine Prange op 03 september 2014

Cover van 03-2014
03-2014 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

‘De belangrijkste vraag waar wij nu mee te maken hebben, is hoe te overleven als mensheid en aarde. Filosofen hebben daarom de plicht een duurzame wijze van leven te bepleiten contra consumentisme. We behoren te wijzen op de schaduwzijden van liberalisme en kapitalisme, de gevaren van ongebreidelde vrijheid gecombineerd met gelijkstelling van geld en succes in onze samenleving. Dit moralisme maakt het leven natuurlijk niet leuker. Als filosoof kunnen we echter ook onderzoeken welke andere vormen van vrijheid en plezier ons ter beschikking staan.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De centrale vraag in al mijn onderzoek is: ‘Wat is menselijkheid en wat is de rol van spel in onze ervaring daarvan?’ Onder spel versta ik ook kunst en sport. Er zijn drie uitspraken waar ik telkens bij terugkom. Schillers uitspraak dat de mens alleen waarlijk mens is als hij speelt; Goethes uitspraak dat hij de Grieken zo bewondert, omdat zij voor elke tragische situatie een esthetisch antwoord hadden en Schillers uitspraak dat als de moraal het laat afweten, we altijd nog Medea hebben. Deze drie uitspraken waren van cruciaal belang voor Nietzsches levensvisie en vandaar dat ik ook steeds opnieuw bij hem uitkom.

Ik las laatst een stuk van Rorty over mensenrechten, waarin hij beweert dat de vraag ‘wat is de mens?’ onzin is en dat hij blij was dat we tegenwoordig pragmatischere vragen stellen. Het is echter de taak van de filosofie om fundamentele vragen te stellen en het is aan beleidsmakers om onze antwoorden te koppelen aan empirische gegevens om er beleid mee te maken. Filosofen kunnen zich in die discussie mengen, maar dat betekent niet dat ze hun fundamentele onderzoek maar in de prullenbak moeten gooien.

De problemen van mensenrechten, onze verantwoordelijkheid in de wereld ten aanzien van al wat leeft en globale rechtvaardigheid kun je niet bevredigend beantwoorden zonder de vraag te stellen wat de mens eigenlijk is. Het is absurd en hoogmoedig om te denken dat je dat zonder die vraag zou kunnen en het is ook hoogmoedig om te denken dat je als bioloog hierop adequaat antwoord zou kunnen geven. Het gemak waarmee biologen en neurowetenschappers de filosofie terzijde schuiven, stoort mij in hoge mate. Als wetenschapper hoor je open te staan voor andere denkbeelden en argumenten. Die basishouding ontbreekt gek genoeg bij veel wetenschappers.

Ik verdedig hier de filosofie als fundamentele wetenschap, maar dat neemt niet weg dat ik op een punt ben dat voor mij de filosofie alleen niet meer voldoende is, omdat ze uiteindelijk alleen abstracte antwoorden levert. Ik wil nu van de mensen zelf horen wat volgens hen menselijkheid is in plaats van over hun hoofden heen te speculeren. Empirisch onderzoek gecombineerd met conceptuele analyse en gebaseerd op filosofische vragen dus. Ik heb nu een onderzoeksgroep waarmee we onderzoeken wat de waarde van spel is voor mensen. Wij vragen aan meisjes wat voetbal voor hen betekent. Voor meiden heeft sport vaak een enorme meerwaarde. Het is in veel kringen nog altijd niet vanzelfsprekend dat een meisje sport, en al helemaal niet dat ze voetbalt. Daarom is haar sportieve keuze vaak ook, ongewild, een politieke keuze. Wij willen weten wat dat voor haar zelfervaring, haar persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling betekent. Met behulp van Kant onderzoek ik binnen deze context het belang van weerstand voor de ontwikkeling van onze individuele en sociale (Kant noemt deze ‘menselijke’) kwaliteiten en de rol van conflict voor een vitale en pluralistische samenleving. Dankzij dit soort filosofische inbreng leveren we de verdieping die nodig is om kwalitatief goed sport- en emancipatiebeleid te ontwikkelen. Goed beleid, net zoals goede wetenschap, kan niet zonder filosofische visie op mens en samenleving.

Spel en sport geven ons gevoelens van vrijheid en plezier die losstaan van geld. Tijdens het spel kunnen we mensen zijn in plaats van consumenten. Dat is naar mijn mening ook de kern van de economische crisis en van de EU: de EU heeft haar burgers jarenlang behandeld als consumenten op een markt. Zij reageren daarom op de EU als een merk dat bepaalde producten aflevert. Die blauwe vlag met gele sterren representeert een eindeloze bureaucratie die alles doet om een dure euro in stand te houden en een markt die draait om olie, gas en wegwerpartikelen. Met zo’n klantonvriendelijk merk wil niemand zich identificeren.

In reactie op deze politiek, de banken– en milieucrisis en de globalisering, die duidelijk maken wat er gebeurt als je een homogene wereld creëert gebaseerd op de eenparige beweging van productie en consumptie met maar één waarde, die van het geld, zie ik nu een terugkeer naar de Romantiek: mensen verlangen weer originaliteit, kwaliteit, creativiteit, duurzaamheid en verbondenheid. Ze beginnen hun eigen winkels met zelfgemaakte spullen, ze verbouwen samen groenten in stadstuinen, ze gaan niet meer op zonvakantie, maar fietsen over de Himalaya als sponsortocht voor arme kinderen.

Mensen willen weer kleinschaligheid en zich verantwoordelijk voelen voor de wereld. Ze laten het niet meer aan politici over, maar proberen de grote wereldproblemen zelf op te lossen. De Westerse mens is niet langer bezig met zelfrealisatie door middel van werk en carrière, maar geeft zijn leven zin door in actie te komen voor zijn omgeving en anderen. Dit is mooi, maar slaat ook weer door. Het is spontaan, maar ook ongereguleerd en vaak zonder kennis van zaken. Onder meer zonder kennis of er wel behoefte aan hulp is. Er ontstaat hierdoor een nieuw soort kolonialisme, deze keer niet één van uitbuiting, maar van verstikking door paternalistische naastenliefde. In beide gevallen denken wij te weten wat goed is voor de ander en ondermijnen we diens zelfredzaamheid. Helaas, ook op de schaduwzijden van het anti-consumentisme moeten filosofen wijzen…’
 
In deze rubriek vertelt een filosoof wat hij of zij het belangrijkste filosofische probleem van dit moment vindt en geeft daarna het stokje door. Martine Prange geeft het stokje door aan Annemie Halsema.