Home De correspondenten: Duitslands eerste filosofische bestseller

De correspondenten: Duitslands eerste filosofische bestseller

Door Arthur Kok op 17 november 2014

Cover van 01-2009
01-2009 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Het Wer bin ich? Und wenn ja, wie viele? van de Duitse filosoof Richard David Precht beleeft binnen anderhalf jaar tijd zijn twintigste druk en troont op de eerste plaats van de belangrijkste non-fictiehotlist van Duitsland, de Spiegel-Bestseller-Liste. Tegelijkertijd wordt het boek zeer kritisch ontvangen in de serieuze pers.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In het boek beoogt Precht de filosofie te vitaliseren. Hij stelt levensbeschouwelijke en ethische vragen en beantwoordt deze door uitgaande van aansprekende voorbeelden te spreken over filosofen en wetenschappers, van Anselmus en Rousseau tot Frans de Waal en Antonio Damasio. Precht deinst er niet voor terug daarbij een kritische houding aan te nemen. Recensenten loven de helderheid en veelzijdigheid van het boek, maar zijn kritisch over de pretentieuze houding van Precht. Hij zou zich te vaak laatdunkend uitlaten over grote filosofen zonder goede argumenten te geven. De Frankfurter Allgemeine kwalificeert Prechts kritiek op de analyse van de liefde van Niklas Luhman, een van Duitslands meest gerespecteerde sociologen, als onbegrijpelijk. De Süddeutsche Zeitung heeft bewondering voor Prechts degelijkheid, maar vindt de wijze waarop Precht bij Kants drie grote vragen aansluit te makkelijk. De krant uit bovendien de forse kritiek dat het boek ‘de perfide leugen’ verkoopt dat denken iets is wat men ‘voor 14,95 euro voor zich kan laten doen’.

Precht is dus ongekend populair, maar zijn filosofische gedachtegoed vindt nauwelijks aansluiting bij gevestigde filosofen. Dit roept uiteraard de vraag op wie er nu eigenlijk bepaalt wat goede populaire filosofie is. Bepaalt de vakfilosoof dat of het grote publiek? Zijn de wensen van beiden verenigbaar?

Filosofie en waarheid
Al zeker meer dan tweehonderd jaar houden Duitse filosofen zich met deze vraag bezig. In het populair-filosofische Die Anweisung zum seligen Leben (1806) verzette Johann Gottlieb Fichte zich tegen de gedachte dat filosofie noodzakelijk wetenschappelijk is. Filosofen ‘die van hun kennis graag een mysterie maken’, zien volgens Fichte niet in dat ieder mens uit zichzelf op waarheid gericht is en die zelfstandig bereiken kan. De populaire filosofie moet bij dit vermogen aansluiten. Een goede populair-filosofische voordracht ‘laat de waarheid voor onze ogen, uit een wereld vol vergissingen, worden, en zich voortbrengen’.

Lezen met Safranski
Is er van deze paradoxale opvatting, die de filosoof tot soevereine wegwijzer van het filosofisch ongeschoolde, maar zelfstandige denkvermogen maakt, heden ten dage nog iets terug te vinden in Duitsland?
Rudiger Safranski bijvoorbeeld, bekend van het  tv-programma  Das philosophische Kwartet en van biografieën van onder andere Nietzsche, Schopenhauer en Heidegger, nodigt zijn lezers in Das Böse oder Das Drama der Freiheit (1997) uit met hem mee te lezen in enkele klassiek geworden filosofische teksten. Safranski blijft daarbij een autoriteit, maar op zo’n manier dat hij laat zien hoe deze teksten tot autonome gedachten kunnen leiden.

Precht leest voor
Ook Precht is een autoriteit. Zijn boek geeft blijk van veel kennis over filosofie en wetenschap. Maar in plaats van de lezer met hem mee te laten denken, leest Precht hem eerder voor. Het wordt hem met geen letter verweten dat hij zich met alle mogelijke middelen tot het grote publiek richt, maar op dit punt blijven de critici onvermurwbaar. Alles mag, maar blijf wel argumenteren en houd mensen niet zomaar iets voor. Zo houden Duitse populaire filosofen misschien toch liever vast aan de paradox van Fichte: voorkauwen is onvermijdelijk, maar de intellectuele autonomie van de lezer moet altijd centraal staan.