Home ‘Dat, wat gebeurde’

‘Dat, wat gebeurde’

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie, Michel Dijkstra en Simone Bassie op 27 november 2012

04-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

Tastend zoekt Paul Celan naar de betekenis van de holocaust, die zich volgens hem eigenlijk niet laat uitdrukken. Toch schrijft Celan zijn gedichten: ‘Werkelijkheid is niet, werkelijkheid wil gezocht en gewonnen zijn.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Op 15 juli 1941 vielen Duitse troepen de Oost-Europese stad Czernowitz binnen, de woonplaats van de dichter Paul Celan. Prompt verloor de Joodse bevolkingsgroep zijn burgerrechten: een uitgaansverbod werd ingesteld en Joden moesten dwangarbeid verrichten. Binnen drie maanden vermoordde de bezetter drieduizend prominente Joden. Door onder te duiken, ontkwam Celans familie aan de eerste deportaties. Bij een nieuwe razziadreiging bleven zijn ouders thuis, omdat ze dachten dat ze hun lot niet konden ontlopen. De dichter dook wel onder, in de vaste overtuiging dat zijn ouders tot bezinning zouden komen. Toen hij na een weekend terugkeerde, was de voordeur van zijn huis verzegeld. Zijn ouders heeft hij nooit teruggezien.

Celan kwam deze traumatische gebeurtenis nooit te boven. Zijn poëzie staat dan ook in het teken van de holocaust, die hij behoedzaam aanduidde als ‘dat, wat gebeurde’. Na Auschwitz kon je volgens de dichter geen conventionele, harmonische poëzie meer schrijven. Daarom creëerde hij een nieuwe poëzie vol duistere beelden, breuken en symbolen die het tekortschieten van de taal oproept. De realiteit van de holocaust is zó gruwelijk en absurd, dat zij niet met woorden kan worden uitgedrukt. Wel kun je als dichter op zoek gaan naar de betekenis van deze realiteit, die op geen enkele manier binnen een coherent wereldbeeld past. Zoals Celan zelf opmerkt: ‘Werkelijkheid is niet, werkelijkheid wil gezocht en gewonnen zijn.’

De holocaust zorgde niet alleen voor een aardverschuiving binnen de poëzie, maar ook binnen de filosofie. Het optimistische gedachtengoed van de Verlichting, dat de mens als een rationeel wezen zag, lag door de Tweede Wereldoorlog aan scherven. Het werd onmogelijk te geloven dat kennisvermeerdering tot betere mensen leidt. Daarom was er een nieuw denken nodig, dat rekenschap aflegde van het failliet van de menselijke ratio. De Franse filosoof Jacques Derrida probeerde zo’n nieuwe manier van denken te ontwikkelen. Bij die zoektocht voelde hij een sterke affiniteit met Paul Celan.

Tegendraads

Derrida’s nieuwe denken uit zich in zijn deconstructivisme: het tegendraads lezen van filosofische teksten, waarbij niet alleen gezocht wordt naar de hoofdlijnen van de tekst, maar ook naar discrepanties, wrijvingen, tegenspraken en aporieën. Dit deconstructivisme heeft ook een affirmatieve kant, die tot uitdrukking komt in Derrida’s essays over literatuur. Hij zocht naar nieuwe perspectieven om aan de traditionele manier van denken te ontsnappen, waarvoor het literair experimentele werk van Stéphane Mallarmé, James Joyce en Paul Celan model stond.

In zijn boek Sjibbolet. Voor Paul Celan, de tekst van een lezing uit 1984 te Seattle, geeft Derrida een persoonlijke reactie op Celans oeuvre. De filosoof richt zich vooral op enkele gedichten uit de bundel Die Niemandsrose waarin de holocaust een grote rol speelt. Celan wil de gruwelen van Auschwitz blijven gedenken én tegelijkertijd duidelijk maken dat we nooit kunnen begrijpen wat er is gebeurd. Derrida stelt de vraag hoe een absoluut singuliere gebeurtenis als de holocaust ter sprake kan worden gebracht.

Volgens Derrida probeert Celan deze per definitie onzegbare gebeurtenis in zijn poëzie op te roepen. Over ‘het gedicht’ schrijft Derrida: ‘Het draagt slechts het chiffre van de enkelvoudigheid in zich, biedt plaats, memoreert de plaats, biedt en memoreert de tijd.’ Wel moeten we ons realiseren dat we de holocaust niet in een discursief verhaal kunnen vatten. De holocaust is met niets in de geschiedenis te vergelijken en volstrekt onherhaalbaar. We kunnen hem alleen herdenken als iets dat we niet kunnen bevatten, als iets ondenkbaars. Dit ondenkbare van de singuliere gebeurtenis roept Celan op veel verschillende manieren met zijn duisterpoëtische taal op.
De dichter gebruikt data als een belangrijk stijlmiddel: gedichten zijn soms geheel aan een datum gewijd. Derrida ziet de datum als de markering van singulariteit, omdat een unieke gebeurtenis niet losgekoppeld kan worden van dat ene moment. Een datum staat echter niet op zichzelf; door de herhaling gaat hij verbanden aan met verleden en toekomst. Zo ‘verraadt’ de datum de singuliere gebeurtenis en roept op tot interpretatie.
 
Derrida stelt dat een datum altijd ‘meer is dan hij is’, door het verband met diverse gebeurtenissen in verschillende jaren. Deze verbindingen maken onderdeel uit van een zoektocht naar de betekenis van die bepaalde datum. Zo roept de datum ‘11 september’ niet alleen de aanslag op het WTC op, maar ook de aanslagen in Madrid en Londen en de oorlogen in Afghanistan en Irak. Als we die gebeurtenissen in ons achterhoofd houden, kunnen we op zoek gaan naar de betekenis van de onvoorstelbare gebeurtenis ‘11 september’.

Derrida bespreekt het gedicht In eens als een treffend voorbeeld van Celans gebruik van data. De eerste strofe spreekt in vier verschillende talen over dezelfde datum, 13 februari:
 
IN EENS
 
Dertiende februari. In mijn hartmond
ontwaakt sjibboleth. Met jou,
Peuple
de Paris. No pasarán.
 
In dit gedicht worden verschillende singuliere gebeurtenissen tegelijkertijd opgeroepen en met elkaar in verband gebracht. Het verbindende element is hier de datum. Derrida stelt dat het gedicht in een geheime cijfercode is geschreven, die aan de Kabbala herinnert. Maar terwijl de kabbalisten in de Thora zoeken naar een geheime boodschap van God, symboliseert het getal dertien bij Celan juist een ondoorgrondelijke God.
Doordat het Hebreeuwse woord ‘sjibboleth’ in de eerste (Duitse) versregel opduikt, plaatst het verschillende gebeurtenissen uitdrukkelijk naast elkaar. ‘Sjibboleth’ komt uit een geschiedenis uit het Oude Testament, waarin de Joden de Efraïmieten versloegen. Om er zeker van te zijn dat geen enkele Efraïmiet ontsnapte, moest iedereen het woord ‘sjibboleth’ uitspreken. Omdat alleen Joden de lettergreep ‘sji’ juist uit konden spreken, werd iedereen die daar niet in slaagde vermoord.

Celan brengt dit wachtwoord in verband met de leus ‘no pasarán’ (ze zullen er niet doorkomen), die de communisten in de Spaanse Burgeroorlog gebruikten. In februari 1936 wonnen zij samen met de andere partijen van het Frente Popular (Volksfront) de verkiezingen. Later werden ze echter met geweld door Franco verdreven. Drie jaar later, op dertien februari 1939, werd Madrid door de fascisten ingenomen.
Zo bestaat er een noodlottig verband tussen de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog. Wat dit verband is, blijft een raadsel. De ratio schiet te kort om te begrijpen hoe de ene oorlog tot de andere leidt. Het is deze onbegrijpelijkheid die Celan oproept.

In Sjibbolet onderneemt Derrida een poging om Celans poëzie zoveel mogelijk recht te doen. De filosoof stelt dat Celans gedichten niet in de eerste plaats om duiding of explicitering vragen. Toch vervalt hij niet in zwijgen, maar geeft een voorzichtige interpretatie, terwijl hij de onbegrijpelijkheid respecteert. Derrida roept de lezer op hetzelfde te doen. Alleen door respect voor het onbegrijpelijke van Celans teksten en een behoedzame interpretatie hiervan, kunnen we met de dichter bij de gruwelen uit de twintigste eeuw stil blijven staan – bij het verschrikkelijke, bij het ondenkbare.