Home Bodemfilosofie

Bodemfilosofie

We lopen er dagelijks overheen, maar lijken haar simpelweg vergeten: de grond onder onze voeten. Met alleen bewustzijnscampagnes veranderen we daar weinig aan, denkt Maarten Meijer. We moeten anders leren eten, wonen en poepen.

Door Maarten Meijer op 24 november 2022

Bodemfilosofie
Wijsgerig Perspectief 04 2022 WP
Wijsgerig Perspectief nr 4/2022 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

‘We moeten toe naar een nieuw bodemparadigma,
van bodem als slaaf naar bodem als moeder of als partner!’
(De Cleen en Molenaar 2019)

Het is een warme nazomermiddag op een biodynamische boerderij aan de rand van ­Amsterdam-West in het pre-coronatijdperk, en ik luister naar een gepassioneerd pleidooi van een beleidsmaker van de Rijksoverheid. We zijn bij een bijeenkomst van het Europees Netwerk voor Bodembewustzijn, een verzameling wetenschappers, nationale en Europese beleidsmakers, landbouwers en lobbyorganisaties met een hart voor de bodem. Op het programma staan strategieën om bodembewustzijn bij het algemene publiek te bevorderen: een ‘bodemkeurmerk’ voor voedingsproducten, bodemonderwijs voor basisschoolleerlingen, het PR-strategisch reduceren van bodemkwaliteit tot één indicator (zoals de hoeveelheid organische stof) en wetenschapscommunicatie die fascinatie voor het ongeziene bodemleven zou kunnen opwekken.

Het gaat niet goed met onze grond, en deze bodembewustzijnsbepleiters (hierna ­‘bodembepleiters’) hopen dat een combinatie van onderwijs, bewustmaking en beleid onze zorg voor de bodem zal vergroten. De bodem van de ‘conventionele’ boer is te dood, de bodem in je tuin vervuild, de bodem in de stad volgebouwd en afgedekt. Of het nu gaat over explosieve discussies omtrent stikstof, PFAS, steen in de stad, het zinken van Nederland of de teloorgang van bodemleven, ook de ogen van de niet-boerende mens gaan de laatste jaren noodgedwongen steeds vaker naar de grond. Wat zien zij daar? Te weinig, aldus de cultuurpessimistische bodembepleiters. In de belevingswereld van de moderne mens verschijnt de bodem voor­namelijk als modder onder de kinderschoenen, zand op de supermarktgroenten of tuinmarktgrond voor de potplantjes. Tijd voor een nieuw paradigma, tijd voor een nieuwe bodem­filosofie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In dit essay wil ik de bodembepleiter serieus nemen en onderzoeken wat diens filosofie is. De bodembepleiter is een archetype, wiens denkbeelden doorklinken binnen het bodemdiscours van bijvoorbeeld milieuorganisaties, wetenschappers en beleidsmakers. In de kern stelt de bodembepleiter dat de moderne mens is ontgrond: zij is haar relatie met de bodem verloren en vergeten, waardoor de bodem is verworden tot een ongeziene achtergrond. Deze ontgronding uit zich in bodemmisbruik. De oplossing: een nieuw bodembewustzijn. Door ons denken over de bodem te veranderen, is de relatie tussen humaniteit en humus weer te herstellen.
Hoe moeten we ons zo’n ommezwaai in bodemfilosofie voorstellen? En vanwaar onze ontgronding? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moeten we allereerst een vraag stellen die hieraan voorafgaat: wat moeten we ons überhaupt voorstellen bij een bodemfilosofie?

Bodemfilosofie

De samentrekking bodem-filosofie kunnen we op twee manieren interpreteren. Allereerst kunnen we haar begrijpen als de wijze waarop filosofen aardse concepten bewerken tot denkmaterie binnen hun eigen filosofische universums. Denk aan Nietzsches aardse trouw, Heideggers (af)grond, aarde en planeet, Arendts aardevervreemding, Deleuzes geofilosofie en Povinelli’s geontologie – vul het lijstje gerust naar eigen inzicht aan. Hiernaast kunnen we bodemfilosofie begrijpen als de filosofieën die besloten liggen in de praktische interacties met grond en ons zodanig inzicht verschaffen in onze relatie met de bodem. De interpretatie van bodemfilosofie die ik de bodembepleiters toedicht is de tweede, en ik zal de eerste interpretatie – hoe interessant en belangrijk ook – links laten liggen.

Een intuïtief beginpunt voor het nadenken over ‘onze’ bodemfilosofie is de bodemwetenschap. Zij verschaft ons immers kennis over de bodem. Benaderen we de bodemwetenschap met meer aandacht, dan komen we een heel scala aan bodemwetenschappelijke vertakkingen tegen: van bodemchemie tot bodemfysica, van bodem(micro)biologie tot pedologie tot ­edaphologie. Binnen het vakgebied bodemkunde dat gericht is op bodemvormende processen, de pedogenese, spreekt men hiernaast over een uiteenlopende verzameling van bodem­soorten, inclusief antropogene bodemtypen zoals de ‘plaggenbodem’, de vuilnisbeltbodem en asfaltbodem: de garbic en ekranic technosols.

Bodem als wetenschappelijk object laat zich niet op één manier begrijpen en ontleden. Vanuit wetenschappelijke onderzoeken ontstaan fascinerende beelden van de bodem als een complexe en continu veranderende entiteit die verbonden is met andere systemen, zoals het klimaat, biodiversiteit en de cycli van water en stikstof. Organismen zoals wormen, bacteriën en schimmels leven niet alleen in de bodem, ze zijn een integraal onderdeel van de bodem. De grond onder onze voeten leeft, en behelst gemiddeld genomen meer levende wezens dan bovengronds te vinden zijn. Deze dunne levende huid die ons aardoppervlak omhelst, maakt bovenaards dier- en plantenleven mogelijk. En de capaciteit van bodemorganismen om CO2 op te nemen zou nog weleens een belangrijke factor kunnen worden in onze existentiële worsteling met klimaatverandering.

Tegelijkertijd zijn deze wetenschappelijke bodems, in al hun veelzijdigheid, niet alom­vattend. Wanneer je aan het tuinieren bent, zal je waarschijnlijk niet een van deze wetenschappelijke blikken op de bodem laten vallen. Peinzend met de knipschaar in de hand zie je ruimte voor een struik of een mooie bloem, onkruid dat moet worden verwijderd en grond die nog even moet worden geschoffeld – of juist niet. Een archeoloog benadert de bodem als een archief zonder muren, de kunstenaar werkt met aardse materie, en de geofaag zet er liever de tanden in.

De Duitse metaforoloog-filosoof Hans Blumenberg bespreekt deze bodemfilosofische pluraliteit als de ‘Grundverschiedenheiten des Lebensbodens’, om vervolgens het verschil tussen het verbouwen en bebouwen van de bodem denkbaar te maken. ‘De metafoor van Boden (waarin alles dat groeit, bloeit en voedt zich wortelt) en de metafoor van Grund (waarop al het duurzame en vaste is gebouwd en opgericht) lijken niet gemakkelijk samen te brengen in de verbeelding: wortels vereisen porositeit en doordringbaarheid van de bodem om bomen en planten zich te laten verrijzen naar het licht […]; aan de andere kant, een menselijk gebouw vereist een rotsachtige dichtheid en onoplosbaarheid van de grond waarop het rust’ (Blumenberg 1987, 98). En dan hebben we het nog niet eens gehad over de vele vergoddelijkingsvormen van grond en aarde, van westers tot niet-westers, van historisch tot hedendaags, van Gaia tot Pachamama tot de vader- en/of moederlandsliefde die zich ook vandaag de dag in haar meest extreme vormen uit als een gewelddadige en racistische obsessie met Blut und Boden.

Bodem bevindt zich niet alleen in de intieme alledaagsheid van onze wereldse materialiteit, maar beweegt ons ook tot transcendentale reflectie over de grond van ons bestaan. Niet alleen in de wetenschap maar ook daarbuiten is het daarom zinvoller om te spreken over een pluraliteit, over bodems in plaats van bodem, met de cruciale kanttekening dat bodems niet te reduceren zijn tot wat mensen ervan maken (Salazar e.a. 2022). Bodemfilosofie helpt ons om zowel de specificiteit van individuele interacties met aarde als de veelzijdigheid van bodembegrippen te doorgronden, en wellicht ook te veranderen. De bodembepleiters waar ik dit essay mee begon is het om dit laatste te doen. Zij werken toe naar een filosofie met meer oog voor de rijkheid en kwetsbaarheid van de bodem.

Aandacht voor de achtergrond

Het is nog niet duidelijk wat we ons moeten voorstellen bij deze ommezwaai in bodem­filosofie. Dat komt deels omdat het niet duidelijk is wat er moet veranderen. Zie je de bodem werkelijk als slaaf, zoals de bodembepleiter suggereert? Ga je de grond beter behandelen wanneer je haar ziet als moeder? Of als partner? Geconfronteerd met deze vragen zal je het belang van bodem waarschijnlijk best erkennen, en wellicht heb je ook nog wel een goed woordje over voor de schimmels, wormen en andere organismen die haar zo bijzonder maken, maar het probleem is juist dat wanneer deze vraag niet gesteld wordt – en de vraag wordt inderdaad vaker niet dan wel gesteld – we de grond simpelweg vergeten.

Ondanks de veelzijdigheid van bodemfilosofieën kenmerkt onze alledaagse houding tot de bodem zich vooral door een onwetendheid grenzend aan onverschilligheid. De melk die je drinkt verbindt je lichaam middels het boerenbedrijf aan overmatige stikstofdeposities in Nederlandse natuurgebieden, maar ook met het intensieve kunstmest- en pesticidegebruik op de sojavelden op voormalige regenwoudbodems in Brazilië (om nog maar niet te spreken over de vele bodemrelaties die ten grondslag liggen aan de industriële en logistieke operaties van de veevoerhandel, melkfabriek en supermarkt). Deze alledaagse uitwassen van laatmodern kapitalisme en de etterende erfenis van imperialisme nemen we maar al te graag voor lief bij het ontbijt. Proef je al deze zaken in je melk? Hoe dan ook, je betaalt als consument niks extra’s voor dit overgewicht aan ‘bodemdruk’. Vanuit dit perspectief is het idee van de bodem als slaaf zo gek nog niet – denk aan Hegels slaaf-meester dialectiek, waarin juist de meester als onbekommerd en vermeend soeverein wordt neergezet.

Laten we voor het gemak het geheel van interacties met, aannames over, en beelden en concepten van de grond onze ‘collectieve bodemfilosofie’ noemen. Het leeuwendeel hiervan bestaat uit interacties die niet bewust, eenduidig en direct van aard zijn – dit zijn momenten van bodemvergetelheid. Om deze bodemfilosofische constellatie beter denkbaar te maken is het daarom zinvol om nog een grondfiguur op te werpen: voor de moderne mens is de bodem niet alleen een veelheid, noch de essentiële grond van het bestaan, maar toch vooral een achtergrond. Middels een reeks pedagogische bodembewustzijnsverruimende initiatieven willen de bodembepleiters vervolgens deze achtergrond meer op de voorgrond plaatsen. Deze ‘voorgronding’ van de bodem neemt vooralsnog voornamelijk de vorm aan van ­wetenschapscommunicatie. Het opwekken van interesse in de grond middels nieuwe wetenschappelijke inzichten in bodembiologie en toegankelijke experimenten met bodemmonsters moet de bodem van slaaf naar moeder of partner doen overgaan. Het is echter maar de vraag in hoeverre onze omgang met de bodem te veranderen is middels deze voorgrondingsstrategie. Kunnen we deze voorgronding niet beter benaderen vanuit een grondigere analyse van de achtergronding – haar ontstaansgeschiedenis? In de volgende sectie zal ik een paar fragmenten van de historische sedimentatie van de achtergrond uitlichten, om te beargumenteren dat het de historische vormen van bodemzorg en -bepleiting zélf zijn die een belangrijke rol spelen in deze achtergronding.

Bodemzorg en de achtergronding

Zorgen om de bodem zijn geenszins een exclusief hedendaags fenomeen. In 1979 werd ­Nederland opgeschrikt door grove grondverontreiniging in Lekkerkerk, die aan het licht kwam doordat illegaal gedumpt afval de hoofdwaterleiding had aangetast en deze was gesprongen. Naast het evacueren van wijkbewoners leidde de affaire tot een breder milieu­bewustzijn bij het Nederlandse publiek, en gebruikte de regering de situatie om de Interimwet bodemsanering door het parlement te loodsen. Deze discussie omtrent bodemvervuiling en milieubewustzijn was evenwel niet het beginpunt van bodemzorgen. Zij werd in de negentiende en vroeg-twintigste eeuw onder meer voorafgegaan door zorgen omtrent bodemerosie in Nederlands-Indië en discussies over de relatie tussen volksgezondheid en stadsbodems.

Gedurende deze historische episoden van bodemzorg werd zowel de aard als waarde van grond als zorgbehoevende materie telkens anders begrepen. Ondanks deze uiteenlopende bodemfilosofieën, heeft deze geschiedenis van bodemzorg een terugkerende relatie met de achtergrond. Bodem, nadat zij ten tonele verschijnt in het maatschappelijke debat, verdwijnt naar de achtergrond middels de kaders van gespecialiseerde instituten en technologieën die een antwoord formuleren op de wijze waarop bodemproblematiseringen zich voordoen. De geschiedenis van de achtergrond is hiermee op tal van manieren verbonden met de geschiedenis van de bodemzorg.

In de negentiende eeuw stond bodem bijvoorbeeld centraal in discussies over de gezondheid van stadsbewoners. Deze discussies, aangevoerd door de zogenaamde hygiënisten (medische professionals met een hart voor de publieke zaak), richtten zich op de hoeveelheid stront die bewoners van snelgroeiende steden gezamenlijk produceerden, en waar deze poepbergen en piesrivieren vervolgens wel niet terechtkwamen: in het kanaal, op straat, en uiteindelijk in de stadsbodem. Rottend vuil in de stadsbodem en de kwalijke stank die dit veroorzaakte werd voor veel pre-Pasteuriaanse hygiënisten aangewezen als cruciale factor bij de cholera-­epidemieën die Nederland rond 1850 troffen. Het is niet duidelijk of de vaak armere stads­bewoner deze lucht zelf ook afgrijselijk vond – deze hoorde waarschijnlijk simpelweg bij de stad.

In ditzelfde tijdvak droomden ingenieurs in Europese steden als Parijs over het verhogen van de stadsverkeerscirculatiesnelheid en het verlossen van voetgangers van oneffenheden in en viezigheid op de ondergrond. De oplossing? Een reeks moderniseringsinterventies op en onder straatniveau: het vaker aanbrengen van een hard wegdek – van steen tot asfalt – dat stadsbodems afdekt en daarmee lucht van aarde scheidt, en verschillende vormen van riool‑­innovatie om de hoeveelheid stadsvuil te bedwingen en verplaatsen (Meulemans 2020). Na deze interventies raakt de bodem, als onderwerp in het maatschappelijk debat en als materieel element in de intieme fenomenologie van de stad, steeds verder op de achtergrond. Steeds minder heeft de stadsbewoner of -bezoeker te maken met de stank van stront en rotting waardoor haar geurtolerantie afneemt – de olfactorische disciplinering van de ­hygiënist weet zich hiermee te verspreiden naar een breder publiek – en steeds minder hoeven bestuurders en wandelaars zich te bekommeren over de grond en de troep die daar te vinden is tijdens hun verplaatsingen door de bebouwde wereld (Corbin 1986).

Een kleurrijke episode in deze op bodemzorgen gestoelde stadmodernisering was het rioolontwerp van de eigenzinnige ingenieur Charles Liernur. Zijn ontwerp, dat een aantal decennia is gebruikt in bijvoorbeeld Leiden, Amsterdam en Dordrecht, draaide om een pneumatisch systeem dat uitwerpselen met een mobiele luchtdrukpomp uit rioolleidingen en toiletten zou zuigen, om ze vervolgens zo snel mogelijk als meststof te verkopen aan boeren. Middels het onverdund opvangen en spoedig verplaatsen van uitwerpselen, formuleerde Liernurs riool een antwoord op sanerings- en circulatievraagstukken van de bovengenoemde hygiënisten en ingenieurs.

Ook de circulatie tussen stad en platteland was een belangrijk element voor Liernurs ontwerp. De hygiënistische bodemzorg vond namelijk weerklank in de bodemzorgen van landbouwchemici, zowel binnen en buiten Nederland, onder wie de prominente Duitse chemicus Justus von Liebig. Deze chemici beschouwden verstedelijking als een breuk in een cruciale stofkringloop die van landbouwproductie naar mestproductie liep. De stadsberg aan stront kwam immers niet vanzelf terug op de akker waar zij haar inhoud aan te danken had. Zonder deze terugkeer zou de grond spoedig haar vruchtbaarheid verliezen. Pessimistische chemici zagen in dit probleem een naderend onheil: uitgeputte bodems, falende oogsten, honger, oorlog. Met zelfingenomen trots citeerde Liernur dan ook graag Liebigs woorden: ‘Een volgend geslacht zal de mannen, die hunne krachten hebben gewijd aan het winner der mest uit de stadsriolen, beschouwen als de grootste weldoeners van hun vaderland’ (Liernur 1867, 42).

Boeren en landbouwkundigen binnen en buiten Nederland konden zichzelf niet altijd ­vinden in deze angst voor bodemuitputting. In de onderliggende kringloopanalyse werden zij impliciet beschuldigd van onzorgvuldigheid met betrekking tot de bodem. Voor chemici was de zaak klip en klaar: scepticisme onder de boerenklasse zou verdwijnen door beter wetenschappelijk onderwijs en een grondiger gebruik van boekhouding in het landbouwbedrijf. ­Bodems waren, volgens deze chemici, in wezen te reduceren tot magazijnen van voedings­stoffen waarvan de inhoud zorgvuldig beheerd moest worden. De boer was, volgens deze bodem­filosofie, een logistiek manager die de invoer en uitvoer van voedingsstoffen nauwkeurig in balans moest zien te houden of zelfs het magazijn met meer stoffen moest zien te vullen.

Voor de boeren, echter, was het ook een kwestie van recht en autoriteit. In Noord-­Amerika beklaagden boeren zich regelmatig over de ‘chemical men’ die ondanks hun gebrek aan landbouwervaring (ze waren immers niet meer dan book farmers) zich met veel pretentie uitspraken over de boerenpraktijk (Cohen 2009). Bovendien, zelfs al zouden chemici gelijk hebben over de aard van bodemvruchtbaarheid, is het dan niet alsnog de boer zelf die het recht heeft om ermee te doen wat hij wil? In de woorden van een Groningse landbouw­kundige en onderwijzer: ‘Waarom zou men dit er niet aan mogen ontnemen, wanneer het mogelijk is hem in een goeden staat van vruchtbaarheid te houden?’ (Reinders 1877, 1:275).

Deze discussies omtrent bodemuitputting vinden weerklank in onze huidige stikstofaffaire. Des te meer omdat stikstof in deze negentiende-eeuwse context ook centraal stond, alleen ging het toen om een overkoepelend stikstoftekort in plaats van een overschot. Gezien de natuurlijke schaarste aan en het belang van reactieve stikstof als lichamelijke bouwsteen, waren agrochemici geobsedeerd door het behouden en aanboren van nieuwe stikstofbronnen. Naast rioolsystemen zoals die van Liernur richtte men zich op de bemestende kracht van Peruvaanse vogelpoep, de guano. Het was echter de Duitse uitvinding van de ammoniaksynthese door Fritz Haber aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog die de landbouw werkelijk in staat stelde zich te ontworstelen aan het chemische regime van de aarde (en tevens het Duitse leger van munitie voorzag ondanks de Britse zeeblokkade).

Naar schatting leeft zo’n veertig procent van de huidige wereldbevolking dankzij de stikstof die via deze ammoniaksynthese beschikbaar is gemaakt voor de landbouw. Deze mensen zijn existentieel afhankelijk van de stikstofkunstmest en de chemisch-boekhoud­kundige bodem­filosofie die daarmee vervlochten is (Erisman e.a. 2008). Ditzelfde geldt voor de ­huidige industriële boerenbedrijven zoals de grootschalige veehouderij in Nederland. NPK-kunstmest heeft de noodzaak van een kringloop tussen land, voer en stront vervangen door een afhankelijkheidsrelatie met de chemische industrie.

Dankzij de beschikbaarheid van stikstofkunstmest voor de sojaboer in Brazilië heeft de Nederlandse veehouder zich kunnen ontkoppelen van de lokale bodem. De geproduceerde koeienstront is niet langer de waardevolle meststof die zij in de negentiende eeuw nog was, maar een onhandig restproduct. Deze ontgronding is een achtergronding die haar weerklank heeft in het kunstmestproduct zelf, dat middels haar benadering van de bodem als levenloze stofjesverzameling ook langzaamaan een levenloze en aan kunstmest verslaafde bodem achterlaat.

Aanpoten in de modder

De bodem als slaaf, dan wel verslaafde, is het gevolg van deze achtergronding die wij tegenkomen als biodiversiteitsverlies, wateroverlast in oververhitte steden, en oplopende vormen van bodemdegradatie. Maar staan we stil bij deze achtergronding, dan vinden we vormen van bodemzorg en bodembepleiting waarin het zorgen vóór de bodem samenhangt met zorgen over de bodem, waaronder die van de hygiënist, de ingenieur en de landbouwchemicus.

Bezorgd over de invloed van de bodemgesteldheid op de volksgezondheid, de oneffenheid van de ondergrond op de stadseconomie, en de noodzaak van een meststofkringloop, hebben deze actoren ‘bodemzorg’ middels hun eigen bodemfilosofieën gedefinieerd. Hierbij gingen zij vaak voorbij aan het feit dat andere actoren, zoals boeren en stadsbewoners, deze bodemzorg niet deelden en er wellicht andere bodemfilosofieën op nahielden. De wijze waarop deze bodemzorgen vervolgens vervlochten zijn geraakt met onze instituten, praktijken en gebouwen vormt vervolgens op velerlei wijzen de grond van ons doorlopende moderniteitsexperiment met haar ongekende productiviteit en destructiviteit. Middels deze vervlechting zijn wij, als moderne eenentwintigste-eeuwse riool- en weggebruikers met onze overmatige stikstof­productie, nog altijd beïnvloed door deze historische bodemzorgen.

Wat betekent dit voor de gewenste ommezwaai van het behandelen van bodem als slaaf, naar het zien van bodem als moeder of partner? Om de paradigmaverandering van de huidige bodembepleiters te verwerkelijken, is meer nodig dan een nieuwe blik op de bodem. De overheersende bodemfilosofie in onze maatschappij, de achtergrond, zit niet zozeer in ons hoofd maar ligt verankerd in de wijzen waarop wij eten, wonen, poepen en vervuilen – ­kortom, de wijzen waarop wij leven. Filosoferen over de bodem is dan ook denken met je poten in de modder. Tegelijkertijd zijn hedendaagse bodembepleiters geneigd om de bodemversimpeling van hun historische voorgangers te herhalen. Het wetenschappelijke begrip ‘bodem’ is inmiddels vele malen complexer dan dat van negentiende-eeuwse chemici, maar hedendaagse bodembepleiters gaan nog altijd voorbij aan de sociale complexiteit die schuilt achter de label ‘bodem als slaaf’.

Voor het ontdoen van de achtergrond hebben wij niet een nieuwe blik op bodem nodig die in het luchtledige blijft hangen, maar nieuwe levenswijzen waarin deze blik kan aarden: nieuwe wijzen van eten, wonen, poepen en vervuilen. De inspiratie hiervoor kunnen we nog putten uit de fragmentarische pluraliteit aan bodempraktijken om ons heen die zich expliciet en impliciet verzetten tegen de achtergronding van de bodem: van de (guerrilla)tuinder tot de archeologe tot de stadsbodemkundige tot de regeneratieve boer tot de geofaag. Zij leveren geen modellen die blind gevolgd moeten worden, maar zetten aan tot verdere reflectie over de praktische mogelijkheden om de achtergrond te ontmantelen. In plaats van bodembewustzijn, kan onze bodemwetenschap en -politiek zich daarom beter richten op de voorwaarden waaronder deze alternatieve bodemsamenlevingsvormen ademruimte krijgen en zich kunnen verspreiden over onze verschraalde aarde. Veranderen van bodemfilosofie is eveneens het beste te doen vanuit de modder zelf, dus trek je laarzen aan!

Literatuurlijst
• Blumenberg, H. (1987), Die Sorge Geht über den Fluß. Berlin: Suhrkamp Verlag.
• Cohen, B.R. (2009), Notes from the Ground: Science, Soil, and Society in the American Countryside. Yale University Press.
• Corbin, A. (1986), The Foul and the Fragrant: Odor and the French Social Imagination. Harvard University Press.
• Cleen, M. de & Molenaar, C. (2019), ‘Global Challenges, Local Solutions! Awareness is needed’. ­Gepresenteerd bij European Network of Soil Awareness 2019, Amsterdam, september 19.
• Erisman, J.W., Sutton, M.A., Galloway, J. Klimont, Z. & Winiwarter, W. (2008), ‘How a Century of Ammonia Synthesis Changed the World’. Nature Geoscience 1 (10): 636–39. https://doi.org/10.1038/ngeo325.
• Liernur, C.T. (1867), De Rioolkwestie. ’s Gravenhage: H.X. Susan Chz.
• Meulemans, G. (2020), ‘Urban Pedogeneses: The Making of City Soils from Hard Surfacing to the Urban Soil Sciences’. Environmental Humanities 12 (1): 250–66. https://doi.org/10.1215/22011919-8142330.
• Reinders, G. (1877), Handboek voor den Nederlandschen Landbouw en de Veeteelt. Vol. 1. ­Groningen: J.B. Wolters.
• Salazar, J. F., Granjou, C., Kearnes, M., Krzywoszynska, A. & Tironi, M. (2022), Thinking with Soils: Material Politics and Social Theory. Bloomsbury Academic.