Home Bert van den Bergh: ‘Depressie is een zwarte hond’

Bert van den Bergh: ‘Depressie is een zwarte hond’

Door Marc van Dijk op 25 april 2019

Bert van den Bergh: ‘Depressie is een  zwarte hond’
Cover van 05-2019
05-2019 Filosofie magazine Lees het magazine

Depressie is een van grootste bedreigingen voor de volksgezondheid. Maar volgens filosoof en psycholoog Bert van den Bergh begrijpen we nog maar weinig van het fenomeen. Depressie is volgens hem geen stemmingsstoornis, maar een afstemmingsstoornis.


Illustraties: Jedi Noordegraaf

Onlangs werd de dochter van Bert van den Bergh zestien, en ze gaf een feestje – thema nineties. De psycholoog en filosoof verbaast zich over een tafereel dat zich daar afspeelde. ‘Het huis heeft een halfopen tussenetage. Een van de meiden ontdekte dat je vanaf die etage een mooie selfie kon maken, met de andere feestgangers op de benedenverdieping als achtergrond. Dat hebben meerdere meiden daarna nagedaan. Twee dagen later zag mijn dochter die selfies voorbijkomen op Instagram. Wat bleek? Niemand vermeldde haar feestje! Het ging uitsluitend om de zoveelste kans op een glorieus zelfportretje.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het is voor Van den Bergh typerend voor deze tijd: zelfs als we een gedeelde ervaring hebben, filteren we dat collectieve aspect er het liefst weer uit. Alsof het enkel over onszelf mág gaan. Dit leidt niet direct tot depressie – Van den Berghs huidige focus –, maar hij ziet wel degelijk een verband. ‘Mijn dochter is vaak ontevreden. Terwijl ze op het gymnasium zit, contacten heeft, noem maar op. Toch knaagt voortdurend het gevoel dat ze tekortschiet, dat ze niet helemaal voldoet aan bepaalde maatstaven. Dat is natuurlijk ook eigen aan pubers, maar die sterke fixatie op het eigen ik, de dwang om alles uit jezelf te halen, is wijdverbreid. De ontevredenheid die daaruit voortkomt, kan zich verdiepen tot het gevoel een buitenstaander te zijn – dan is je “afstemming” op een elementair niveau verpest. En dan is de depressie nabij.’

Schaduw

Is er iets in onze samenleving dat ons collectief extra gevoelig maakt voor depressie – is onze cultuur ‘depressogeen’? En zo ja, moeten we dan misschien ook de oplossing meer in die collectieve sfeer zoeken? Van den Bergh promoveerde op het onderwerp en bespreekt het onbegrip én de dreiging in zijn boek De schaduw van de zwarte hond. Die hond is een benaming voor depressie die in de Angelsaksische wereld al lange tijd gangbaar is en daarbuiten ook steeds gebruikelijker wordt. En die schaduw? Die staat zowel voor het ondermijnende als voor het ongrijpbare. Het is de smet op onze gelukscultuur. En al beseffen we dat het beest gevaarlijk is, weten we niet goed wat het met ons doet.

Van den Bergh, in een Haarlems café: ‘Trudy Dehue liet in De depressie-epidemie zien dat het samenspel van wetenschap, behandelaars, beleidsmakers, media en farmaceutische industrie ons een bepaalde kant op duwt, door specifieke psychische problemen als “depressie” te bestempelen – waar vervolgens effectief geld aan wordt verdiend. Daarmee wordt ons tegelijk een bepaald ideaal door de strot geduwd: zelfverwerkelijking. Dat ideaal is niet voor iedereen haalbaar. Maar als het misgaat en tot een depressie leidt, is dat opnieuw je eigen schuld en wordt de oplossing ook weer in diezelfde richting gezocht.’

Als het niet lukt om jezelf volgens bepaalde maatstaven te verwerkelijken, moet je nóg harder aan jezelf werken.
​‘Precies. Dat is de vicieuze cirkel van de zelfverwerkelijkingsideologie. Als je gelukkig en zelfvoorzienend bent, voldoe je aan het plaatje. Als je ongelukkig bent, doe je het fout. Dan moet je zelf zorgen dat je weer “goed” wordt.

Het gekke is dat dit gevoel van persoonlijk falen samengaat met de gedachte dat depressie een defect in onze hersenen is, dus eigenlijk een mankement is dat van buiten komt en dat we met een pil als Prozac kunnen bestrijden. De Nederlandse Hersenstichting noemt depressie een hersenaandoening. Het is een normale manier geworden om erover te praten. Cabaretier en musicus Mike Boddé, die een autobiografisch boek schreef over zijn depressie, zei in een tv-interview: “Wat een depressie is, is heel moeilijk uit te leggen. We weten inmiddels dat het waarschijnlijk een hersenziekte is.”’

Waarom is die gedachte zo wijdverbreid?
‘Dat wilde ik dus ook graag weten, en in mijn zoektocht naar een antwoord kwam ik terecht bij de begindagen van de moderne psychiatrie. Rond 1900 had je twee giganten: Sigmund Freud, met zijn psychodynamische theorie, en Emil Kraepelin, met zijn psycho-biologische theorie. Iedereen kent Freud, maar bijna niemand weet wie Kraepelin is. En dat is best gek, want uiteindelijk heeft Kraepelin gewonnen.’

Wat was de wedstrijd?
‘De strijd ging om de vraag hoe de wetenschap naar onze psychopathologie moet kijken.
Freud richt zich op woorden. In de woorden gaan symp­tomen schuil, die verwijzen naar conflicten. Via het gesprek moet je doordringen tot die onbewuste aberraties en zo proberen tot een herschikking te komen. ­Kraepelin neemt de hersenen als uitgangspunt. Hij gaat ervan uit dat psychopathologie bepaald wordt door neuronen, ook al was daar in zijn tijd nog nauwe­­­­-lijks kennis over. Hij schrijft in 1883: “De innerlijke samenhang tussen cerebrale en psychische functies is voor ons tot nog toe absoluut onbegrijpelijk ge­­bleven. We weten in waarheid alleen dit: dat die in elk geval bestaat en naar alle waarschijnlijkheid wetmatig is.”

Met andere woorden, ons gedrag wordt bepaald door hersenprocessen. Vraag me nog niet hoe, aldus Kraepelin, maar het is een kwestie van tijd en dan begrijpen we de hele machinerie. Die wetende onwetendheid van Kraepelin is wat het huidige GGZ-regime draagt. Het probleem is alleen: in de bewijsvoering zijn we nog nauwelijks een steek verder.’

Er is nu toch veel meer kennis over het brein dan in 1883?
‘Dat valt best mee, of tegen. Er is nog geen enkele biomarker – een meetbare biologische indicator – vastgesteld die kan gelden als kenteken voor depressie. Ook niet voor andere psychische stoornissen, overigens.’

Hoe heeft de visie van Kraepelin dan zo dominant kunnen worden?
‘Dat is de grote cultuurfilosofische vraag. Kraepelins programma werd eigenlijk pas uitvoerbaar na 1980. Toen vond de zogenoemde neokraepelineaanse revolutie plaats, met de invoering van de DSM-3. De DSM – Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders – was een psychiatrisch gidsje dat tot dan toe eigenlijk totaal onbelangrijk was. De voorman van de derde editie, Robert Spitzer, was geschoold in de toen nog dominante psychoanalyse. Hij keerde zich daarvan af en belichaamde daarmee een wending die zich wereldwijd zou voltrekken, van dieptepsychologie naar biopsychiatrie.

In de DSM wordt elke stoornis sindsdien uitsluitend gedefinieerd aan de hand van uitwendige kenmerken of symptomen. Deze eenvoud bleek koren op de molen van de opkomende biopsychiatrie en farmaceutische industrie. Het team dat aan de ontwikkeling van Prozac werkte, hanteerde voor hun project de werktitel “een chemische verbinding op zoek naar haar ziekte”. Die ziekte werd met veel succes gevonden, kun je wel zeggen.’

Pillen kunnen levensreddend zijn bij depressie.
 ‘Zeker. Ze hebben effect en zijn soms hard nodig. Maar daarmee heb je nog niet bewezen dat depressie een hersenziekte of -aandoening is. Als je depressie met het huidige bewijs een hersenaandoening noemt, dan moet je verliefdheid ook zo zien. Bij verliefheid zijn de hersenen ook “aangedaan”. De patronen in je brein zijn veranderd.’
 

Afstemmen

Hoe wil Bert van den Bergh het fenomeen depressie dan wél benaderen? Hij verdiepte zich behalve in de theorie ook in de ervaring. Er is de laatste decennia een karrenvracht aan boeken verschenen van mensen die verslag doen van hun depressies, van Mike Boddé en Maarten van Buuren in eigen land tot Andrew Solomon en Stephen Fry elders. ‘In een van de bekendste boeken uit dit genre beschrijft auteur William Styron, vooral bekend door de film Sophie’s Choice, dat hij een pijnlijke eenzaamheid ervoer. Hij was in letterlijke zin helemaal niet alleen, hij was getrouwd en succesvol. Maar het ging hem allemaal niet meer aan. En Sally Brampton, schrijfster en oud-hoofdredacteur van het Engelstalige Elle Magazine, omschreef haar depressie als “de meest geïsoleerde plek op aarde”. Je bent elders, in een andere wereld.’

Deze ervaringen zijn Van den Berghs filosofische ingang geweest. ‘Heidegger stelde dat onze toegang tot de wereld stemmingmatig is. Stemming is afstemming. Wij zijn afstemmingswezens. Dat begint al in de baarmoeder: moeder en kind moeten op elkaar inspelen. Het hele proces van mens-worden, leren leven en samenleven is ten diepste ook een kwestie van afstemming, in verbondenheid met anderen. Voor iemand die aan een depressie lijdt is dat proces ontregeld, en daarmee de toegang tot de wereld verstoord – de wereld gaat hem of haar niet meer aan. Dan ben je als het ware niet meer “afgestemd” op de wereld. De mood disorder of “stemmingstoornis” depressie is dus in wezen een “afstemmingsstoornis”.’

Wat betekent dat?
‘De opdracht die onze cultuur geeft aan ieder van ons, is om een solistisch of isolistisch wezen te zijn. ‘Isolisme’ is een term uit de koker van Marquis de Sade. Het houdt een combinatie in van extreem egoïsme en hedonisme. Onze hedendaagse cultuur heeft een sterk sadeaanse snit, om met de Franse filosoof Dany-Robert Dufour te spreken. Je moet midden in de wereld staan en een uitgebreid netwerk hebben, maar je moet vooral ook geheel zelfstandig zijn. Je moet een krachtig, autonoom individu zijn, dat zijn passies realiseert. Genieten is een plicht. En anderen zijn middelen daartoe. De tegenwoordig zo populaire talentenjacht is hier een sprekend voorbeeld van. Hele volksstammen groeien ermee op. Duizenden kinderen staan in de rij om een liedje te komen zingen.’

Dat is toch ook een collectieve ervaring?
‘Ja, maar degenen met wie ze daar staan, zijn concurrenten. Die moeten ze allemaal verslaan, om uiteindelijk zelf alle bewondering en aandacht te krijgen en als solist of isolist te schitteren. Dit negeert of ontregelt een fundamenteel deel van het mens-zijn. Het gaat voorbij aan onze primaire stemmingsmatige verbondenheid met de wereld, met elkaar en met onszelf.

De Duitse socioloog en filosoof Hartmut Rosa, die bekend werd met zijn boek over de versnellingscultuur waarin wij leven, presenteert depressie als “kernpathologie” van onze tijd. Waar hij gaandeweg achter kwam is dat depressie niet als verlies aan autonomie, maar als resonantieverstoring moet worden begrepen. Autonomie is eerder deel van het probleem dan van de oplossing. Natuurlijk is een zekere mate van autonomie belangrijk. Maar het kernprobleem van de vervreemding in onze hedendaagse samenleving is een groot gebrek aan resonantie.’

Wat houdt die resonantie precies in?
‘Rosa begrijpt resonantie als een diepe verbondenheid, waarbij ten eerste de eigenheid van de betrokken polen wordt erkend, deze polen ten tweede openstaan voor het anders-zijn van de ander of het andere, en de polen ten derde bereid zijn zich door de betrekking te laten transformeren. “Resonantie” stelt hij tegenover “echo” – dat wil zeggen, een instrumentele betrekking, waarbij de ander of het andere louter middel tot zelfverwerkelijking of zelfbevrediging is. Die sadeaanse echobetrekking kenmerkt de hedendaagse cultuur. Onze fundamentele resonantiebehoefte wordt daarin massaal gefnuikt. Dat leidt onder meer tot de zogeheten “depressie-epidemie”.’

Wat kan iemand die verdrietig of somber is, of zelfs depressief, met dit inzicht?
‘Het kan helpen om te beseffen dat de uitweg waarschijnlijk niet schuilt in sleutelen aan jezelf. Waarom doet depressie zo’n pijn? Omdat isolement zo’n pijn doet. Omdat het haaks staat op wat een mens nodig heeft of waar een mens op uit is. Wij zijn afstemmingswezens, homo resonans.

De uitweg zal dus vooral ook liggen in het herstel van die elementaire verbondenheid. Tegen iemand die neerslachtig is zou ik zeggen: erken je connecties. Doe iets voor een ander als je je slecht voelt. Dat lijkt veelgevraagd en tegen-intuïtief, maar kan juist bevrijdend en helend zijn. Of, om met Andrew Solomon te spreken: als een van je dierbaren depressief is, probeer dan vooral diens isolement te temperen.’