Bert Keizer
filosoof, verpleeghuisarts

Over filosofie hoor je vaak: ‘Mooie studie maar je kunt er niks mee.’ In zekere zin is dit juist, hoewel velen vinden dat filosofie iets oplevert in termen van zelfverbetering. Men denkt zelfs dat de maatschappij er beter aan toe zou zijn als er meer aandacht zou zijn voor filosofie. Ik geloof er niks van. Het is mij nog nooit gelukt om uit de manier waarop iemand zijn of haar leven leidt te concluderen: je kunt zien dat ze filosofie gedaan heeft. De levens van filosofen zelf vormen een aardige illustratie. Ze vallen niet op door deugdzaamheid, politieke wijsheid of een bijzondere vaardigheid in het geven van liefde of het doorstaan van tegenslag. Het is ook niet zo dat ze hier veel onhandiger of stommer in zijn dan loodgieters of neurochirurgen. Het maakt gewoon niks uit.
En toch is filosofie de allermooiste geestelijke discipline die er bestaat. Wij mogen half aap zijn, driekwart voor mijn part, maar er is geen dier dat met onze verwondering om zich heen blikt en daarbij getroffen wordt door een volstrekt uniek besef van de onbegrijpelijkheid van onze aanwezigheid op aarde. Dichters, schrijvers, filmmakers, schilders enz. zijn hier ook mee bezig, maar niemand die hier zo goed beweegt als de grote filosofen. Het leidt nergens toe en het is onvergetelijk.

Bert Keizer is columnist voor dagblad Trouw, Filosofie Magazine en Medisch Contact. In 2012 schreef hij het essay voor de Maand van de Filosofie Waar blijft de ziel? waarin hij zich verzet tegen het idee 'wij zijn ons brein.' In Tumult bij de uitgang doet hij verslag van alles wat we denken, hopen, vrezen, overwegen en idioot vinden rond de sterfelijkheid van de mens.