Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Leon leest... Nietzsche


God is dood is ongetwijfeld het meest bekende citaat van Friedrich Nietzsche, en één van de weinige dat het heeft geschopt tot parodieën (zoals ‘God is dood’- Nietzsche. ‘Nietzsche is dood’- God). Toch –  hoe bekend ook –  wie het opzoekt, ziet meteen iets opvallends. Het is namelijk niet Nietzsche zelf, die in eigen persoon het goddelijke overlijden claimt. Nee, hij voert een zogeheten ‘dolle mens’ op, die op ‘klaarlichte dag’ een lantaarn opsteekt, de markt op loopt, en roept dat God dood is. Nietzsche voert in zijn teksten, zoals eerder Plato of Kierkegaard, vaak personages ten tonele. Hij speelt graag een spel met de lezer: wie spreekt er nu? En waarom? Ongetwijfeld doet Nietzsche dit omdat de waarheid volgens hem niet één stem is, maar een strijd tussen zienswijzen en belangen. De lezer moet daar zijn eigen weg maar in vinden. Maar in dit geval speelt er mogelijk nog iets anders. Wat opvalt, is dat de dolle mens het nieuws van de dood niet bepaald triomfantelijk vertelt. In tegendeel – de man is in shock. De dood van God is niet zo maar het logische eindstuk van een lange geschiedenis, waarin de mens omhoog klimt uit het dal van onwetendheid en de noodzaak van een religie achter zich laat. Nee, deze dood is een volledige aardverschuiving. Nietzsche  gebruikt talloze metaforen om de klap te onderstrepen: de horizon is uitgeveegd, zon en aarde zijn losgekoppeld, we bevinden ons in een oneindig niets, de adem van lege ruimte slaat ons in het gezicht… De mens zonder God is uitgeleverd aan volledige desoriëntatie – vandaar ook dat Nietzsche een ‘dolle mens’ opvoert. ‘Dol’ betekent hier niet ‘gek’, maar letterlijk dolgedraaid, als een kompas waarvan de naald doelloos blijft rondspinnen op zoek naar een noorden dat niet meer bestaat.

Het zou kunnen dat Nietzsche deze dolle mens opvoert, omdat hij zelf denkt deze fase van richtingloosheid te hebben overwonnen. Hij wist al lang van de dood, en – belangrijker nog – begrijpt de gevolgen. Als hij zelf de uitspraak voor zijn rekening zou nemen, dan zou ze vanzelfsprekend zijn. God is niet alleen dood, zou hij zeggen, als verzinsel van mensen heeft hij zelfs nooit bestaan. Maar een dergelijke droge constatering zou de dramatische impact onvoldoende laten zien. De dolle mens wist het nog niet, en we zijn getuige van een mens die tot het volle besef komt. We zien, als in theater, voor onze ogen zijn angstige verwarring. Zonder deze theatrale setting zouden we als lezer de klap onmogelijk kunnen meevoelen. Nietzsche voert het drama zelfs nog verder op; de dolle mens constateert dat God niet zo maar is overleden – hij is zelfs vermoord.  Door wie? Door onszelf! Wij zijn ‘de moordenaar aller moordenaars’, wij hebben de meest ongeoorloofde daad verricht. Rede en wetenschap hebben ons doen inzien dat het bestaan van God op zijn minst hoogst onwaarschijnlijk is, dus we hebben hem afgeschaft. Maar wat we niet beseffen, zijn de gevolgen van deze daad. Zonder God doemen spookachtige vragen op als ‘wat is de zin van mijn leven?’, ‘wie zijn wij eigenlijk?’. Vragen waarop religie een antwoord had, maar de wetenschap uiteindelijk niet. De wetenschap is immers eerder bezig met hoe en wat, en niet met waarom. ‘Wij zijn ons brein’ zegt niets over hoe we in het leven moeten staan.

Bovenal laat Nietzsche in deze tekst de existentiële gevolgen van de godsmoord zien. Vanaf nu zijn we gedoemd te dwalen; er is geen enkele zekerheid meer. We zullen zelf zin en betekenis aan ons bestaan moeten geven, en dat is veel moeilijker dan we denken. De omstanders op die markt begrijpen het nog niet. Het zijn misschien Verlichte en rationele mensen, voor wie de dood van God net zoals voor Nietzsche vanzelfsprekend is. Maar waar Nietzsche de gevolgen begrijpt, en de dolle mens tot besef komt – en in paniek raakt – hebben ze eigenlijk geen idee.

Elders schrijft Nietzsche dat de mens de dood van God niet kan accepteren, en afgoden zal creëren. We hebben in de twintigste eeuw gezien wat dit betekent – en nu nog steeds. De nieuwe goden waren nationalisme, ras, populistische leiders, markt en geld, sterren, consumentisme, uiterlijk, of extreme varianten van oude religies (wat volgens Nietzsche een poging zou zijn om niet onder ogen te zien dat God dood is). We hebben gezien hoe verwoestend die afgoderij kan zijn. We zullen daarom moeten leren leven met het besef dat de leegte niet zo maar kan worden opgevuld. Maar het heeft ook voordelen: voor het eerst sinds de geschiedenis kunnen we daadwerkelijk vormgever zijn van ons eigen bestaan. Er is geen enkele noodzaak meer om te geloven in mensen die ons vertellen wat te doen. Maar wat gaan we doen? 
Wilt u toegang tot alle artikelen van filosofie.nl? Word dan lid.
Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.