Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

WP nr. 4/2017

Activisme via de rechter

Laura Burgers en Tamar de Waal

Tamar de Waal en Laura Burgers zoeken het activisme op een verrassende plek: in de rechtszaal. In hoeverre kan het recht een bron vormen van emancipatie en verzet? En wanneer hebben juridische procedures om onrecht aan de kaak te stellen kans van slagen?

Geen mens is illegaal!’ roepen demonstranten. System change, not climate change, scanderen klimaatactivisten. Personen die meelopen in protestmarsen zijn uit op systeemverandering, wat meestal neerkomt op een verandering in het rechtssysteem. Niet élke activist beoogt veranderingen in het recht, natuurlijk. Zo zijn er activisten die alleen sociale veranderingen teweeg willen brengen, bijvoorbeeld feministen die bewustzijnverhogende filmpjes maken over sociale fenomenen als mansplaining. Maar vaak is het einddoel van activisten een juridische verankering van bepaalde idealen. De immigratiewetten moeten bijvoorbeeld anders, vinden ze, of: het klimaatbeleid moet worden herijkt.

Iets veranderen in het rechtssysteem kan op drie manieren. De eerste manier is door een revolutie te starten en het huidige regime omver te werpen. Met een schone lei kan het hele systeem dan opnieuw worden ontworpen. In Nederland is dit niet de optie waar veel activisten van dromen. Revoluties verlopen doorgaans zeer bloederig. Bovendien zullen de meesten zich kunnen vinden in ons relatief weinig corrupte, democratische systeem. De tweede manier is via de bestaande politiek. Dat is een langdurig proces waar een eenling weinig invloed op heeft: wetvoorstellen moeten door de Tweede en de Eerste Kamer, dan nog worden ondertekend door de bevoegde minister en (nog altijd) door de Koning. Een derde manier is naar de rechter stappen. Een gerechtelijke procedure duurt weliswaar ook lang, maar kan wel door een individu in gang gezet worden. In dit stuk nemen wij deze laatste vorm van activisme onder de loep.

Een rechterlijke uitspraak kan enorme veranderingen teweegbrengen. Denk maar aan de beroemde uitspraak van de Amerikaanse Supreme Court uit 1954, Brown vs. Board of Education. De rechters oordeelden dat de wettelijk vastgelegde rassenscheiding op openbare scholen de gelijke rechtsbescherming van Amerikaanse burgers ondermijnde – de uitspraak luidde het eind van de rassenscheiding in. Of neem, dichter bij huis, de Urgenda-uitspraak (Urgenda is een acroniem van ‘urgente agenda’). In juni 2015 bepaalde de Rechtbank Den Haag dat de Nederlandse Staat onrechtmatig handelde door te weinig te doen tegen klimaatverandering, waarop de klimaatdoelen onmiddellijk naar boven toe zijn bijgesteld. En 7 september nog, in weer een andere zaak, veroordeelde een Nederlandse rechter de hier zo teleurstellende luchtkwaliteit; staatsecretaris Sharon Dijksma is daarop meteen aan de slag gegaan om die te verbeteren.

Aan de andere kant kunnen de uitkomsten van rechtszaken de betrokkenen ook teleurstellen. In 1896 besloot de Supreme Court immers nog dat raciaal gescheiden scholen wél in lijn waren met de Amerikaanse grondwet, in Plessy v. Ferguson. En afgelopen juni wees de Nederlandse rechter in hoger beroep de claim van de stichting We Gaan ze Halen af. Deze stichting betoogde dat Nederland te langzaam en te weinig vluchtelingen opneemt die vastzitten onder mensonterende omstandigheden in Italiaanse en Griekse vluchtelingenkampen. De uitspraak was opvallend, omdat Nederland wel degelijk had toegezegd om voor september 2017 uit Griekenland 3.797 en uit Italië 2.150 vluchtelingen op te nemen en het op het moment van de uitspraak al duidelijk was dat deze aantallen niet gehaald gingen worden.

Dit roept de vraag op onder welke omstandigheden ‘naar de rechter stappen’ productief kan zijn voor activisten in democratische rechtsstaten. Deze vraagstelling kent zowel een filosofische als een praktische kant. Aan de ene kant richten we ons op de theoretische vraag hoe de dynamiek werkt tussen het recht en de maatschappij. In hoeverre kan het recht een bron vormen van emancipatie en verzet? Aan de andere kant biedt onze verkenning een handelingsperspectief voor activisten, omdat wij duiden wanneer juridische procedures om (vermeend) onrecht aan de kaak stellen kans van slagen hebben.

Als eerste gaan we in op het emancipatoire potentieel van het recht, aan de hand de politieke filosofie van de Fransman Claude Lefort (1924-2010). Daarna gaan we te rade bij het werk de Duitse filosoof Jürgen Habermas (1927) om uit te leggen hoe de rechter gebonden is aan het bestaande recht en waarom rechters niet al te graag baanbrekende of ‘politieke’ uitspraken doen. Ook gaan we in op beperkingen in ons huidige recht, met name binnen milieuzaken waarbij (vooral) niet-menselijke belangen spelen. We sluiten af met concrete aanbevelingen voor activisten die gerechtelijke procedures willen aanwenden om hun doelen te bereiken.

Mensenrechten

Om de activistische potentie van het recht – en vooral van mensenrechten – binnen democratische rechtsstaten goed te begrijpen, is het behulpzaam te kijken naar het werk van Lefort. Hij stelt dat de moderne democratie is ontstaan na de Franse Revolutie. Voor deze revolutie, en met name voor de onthoofding van Lodewijk XVI, kende Frankrijk het ancien régime, gebaseerd op een religieuze orde. In deze absolute monarchie beriep de koning zich op een goddelijk recht om te regeren – hij was behalve aan God niemand verantwoording verschuldigd over de inhoud van het recht.

Dit regime verdween met de afkondiging van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger in 1789 door de revolutionairen en het sterven van de Franse koning in 1793. De plaats van de macht, waar voorheen zowel fysiek als symbolisch de koning zetelde (Le roi est mort, vive le roi!), werd vanaf dat moment symbolisch ‘leeg’. De democratie ontstond: een politiek stelsel waarin niemand zich kan beroepen op een Goddelijke Orde om politieke invloed op te eisen, waar periodieke verkiezingen worden gehouden en de macht nooit meer permanent toegeëigend wordt. Met andere woorden, niemand is ooit nog voor altijd de baas.

Lefort heeft veel interessante dingen geschreven, onder andere over de relatie tussen de democratie en totalitarisme. Maar zijn artikel Droits de l’homme et politique (Mensenrechten en politiek) uit 1980 is het meest relevant voor wie geïnteresseerd is in activisme via de rechter. In dit stuk stelt Lefort dat democratieën als politieke gemeenschappen gegrond zijn in de belofte dat aan iedere persoon fundamentele en onvervreemdbare mensenrechten toekomen, zoals menselijke waardigheid, lichamelijke integriteit, vrijheid van geweten en vrijheid van meningsuiting. Als gevolg van deze belofte wordt de democratische Staat geconfronteerd met rechten die zij, in de terminologie van Lefort, nooit kan ‘incorporeren’.

Dat wil zeggen dat de politieke gemeenschap wordt gekenmerkt door mensenrechten die individuele vrijheid en gelijkheid voor iedereen garanderen, maar tegelijkertijd heel abstract blijven. Burgers krijgen door mensenrechten de vrijheid om na te denken over de inhoud van mensenrechten, en om het bovendien oneens te zijn over vragen als: wat betekent lichamelijke integriteit precies? Of: waar liggen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting, als die er al zijn? Als gevolg levert democratische politiek nooit onveranderbare definities of invullingen van mensenrechten op – hoewel ze dus wel op mensenrechten rust. Integendeel, dankzij de mensenrechten draait democratische politiek juist om het continu faciliteren van een ‘toneel van een protestbeweging’ waarop burgers, steeds opnieuw, de vrijheid hebben nieuwe, toegepaste perspectieven op (abstracte) mensenrechten te ontwikkelen en af te dwingen. De crux van de democratie is dat zij dit debat toestaat en institutionaliseert.

Op deze manier spelen mensenrechten, aldus Lefort, een cruciale rol bij de ontwikkeling van de hedendaagse samenleving. Doordat mensenrechten – verankerd in internationaal, Europees en nationaal recht – altijd ter discussie staan, kan het recht maatschappelijke verhoudingen radicaal beïnvloeden of zelfs krachtig herscheppen. Een rechter kan bijvoorbeeld op basis van recht het land verplichten het homohuwelijk toe te staan, zoals dat gebeurde in de Verenigde Staten in 2015. En in Nederland procedeerde De Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann en de SGP tot aan het Europees Hof van de Rechten van de Mens, dat in 2012 gebaseerd op het VN-Vrouwenverdrag oordeelde dat politieke partijen op grond van godsdienstige overwegingen geen vrouwen mogen uitsluiten of discrimineren, door hun onder andere geen passief kiesrecht te geven.

Deze zaken laten zien dat de democratische rechtsstaat een bron voor activisme kan vormen. Sterker nog, zodra rechters besluiten tot het kritisch toetsen van bepaalde wetgeving of maatschappelijke problemen aan de idealistische beginselen van de rechtsorde, lijkt the sky the limit voor activisten die het recht inzetten om hun doelen te bereiken via juridische procedures. Zelfs als een onderwerp controversieel is, bijvoorbeeld omdat groepen burgers sterke (religieuze) bezwaren hebben tegen het toestaan of afschaffen van bepaalde wetgeving, hebben rechters de macht een eindoordeel te vellen waaraan iedereen zich simpelweg te houden heeft. Gerechtelijke procedures kunnen zo continu iedere traditionele, technologische of economische vanzelfsprekendheid op scherp zetten. Mensenrechten scheppen in ieder democratisch debat altijd ruimte voor nieuw gedachtengoed. Of, zoals een bekende songtekst van Leonard Cohen het bezingt, ze garanderen dat there is a crack in everything / that’s how the light gets in.

Zo kunnen activisten vandaag de dag ook de abstracte grondbeginselen van de democratie inzetten. Door te strijden voor meer inclusieve interpretaties van mensenrechten zijn in potentie baanbrekende resultaten te behalen. Als de activisten overtuigend aantonen dat een bepaalde verandering in het recht een verdere realisering van een mensenrecht inhoudt, dan kan dit leiden tot een doorbraak binnen de democratische rechtsstaat.

Uiteindelijk, laat Lefort zien, is de rechtsstaat namelijk een voortdurend historisch project dat, met vallen en opstaan, naar een verdere realisering van zijn humanistische idealen streeft. Dit is een belangrijk inzicht. Veranderingen in het rechtssysteem die nu nog volslagen ondenkbaar lijken, kunnen misschien ooit plaatsvinden op basis van (internationaal) recht dat al geldt.

Voorzichtige rechters

Dat de burgers in een democratische rechtsstaat voortdurend de betekenis van hun mensenrechten bediscussiëren, is een stelling die volmondig wordt beaamd door Habermas. In zijn vuistdikke meesterwerk Faktizität und Geltung (Feitelijkheid en Geldigheid) uit 1992, analyseert hij het ‘zelfbegrip’ van democratische rechtsstaten: wanneer zien de burgers hun recht zelf als legitiem – als terecht geldend – en zullen ze het dus opvolgen? Zijn uitgebreide antwoord op deze vraag verklaart echter ook waarom het in het algemeen lastig zal zijn een grote juridische doorbraak te bereiken via de rechter.

Volgens Habermas is recht ‘legitiem’ als allen die erdoor geraakt worden er redelijkerwijs mee kunnen instemmen in een democratisch wetgevingsproces. Dat betekent dat iedere burger een stem moet kunnen krijgen in dat democratische wetgevingsproces. Kunnen krijgen: niet iedereen hoeft mee te doen en al helemaal niet op dezelfde manier. Belangrijk zijn niet alleen onze regeringsleiders en de democratische vertegenwoordigers in het parlement, maar evengoed het publieke debat dat zich ontspint op tv, in kranten en in andere media, omdat de burgers daarmee het wetgevingsproces ‘informeel’ beïnvloeden. Cruciaal is dat mensen betrokken (kunnen) zijn bij de discussie over de vraag, hoe het recht eruit moet zien – of dat nu op het Binnenhof is of daarbuiten.

Dit vermogen om mee te doen in het democratische wetgevingsproces noemt Habermas ‘publieke autonomie’. Via je publieke autonomie bepaal je zelf door welke regels je gebonden wordt. Dat verklaart ook waarom je die regels opvolgt: je hebt de regels zelf mede vormgegeven. De manier om die publieke autonomie te garanderen is volgens Habermas een stevig stel fundamentele rechten: de mensenrechten waar Lefort het ook over heeft. Mensenrechten beschermen het individu: ze garanderen dat het individu zijn of haar leven in kan richten zoals gewenst. Ze zijn in de eerste plaats gericht op het beschermen van de ‘private autonomie’.

Enkel door de private autonomie van individuen te beschermen middels mensenrechten, zegt Habermas, garandeer je dat ze als volwaardig lid van de maatschappij kunnen meedoen in het wetgevingsproces en bescherm je dus hun publieke autonomie en daarmee de democratie. Dit verband tussen private en publieke autonomie noemt Habermas ‘coöriginaliteit’. Publieke en private autonomie hebben dezelfde origine in de democratische rechtsstaat en kunnen niet zonder elkaar. Zonder een fundamenteel recht op bijvoorbeeld lichamelijke integriteit, eigendom of gelijke rechtsbescherming kan een burger niet volwaardig meedraaien in het debat over het recht. Logisch, want iemand met verwondingen, zonder huis of zonder de garantie dat zijn rechten beschermd worden, heeft wel wat beters te doen dan zich te buigen over de wenselijkheid van een of ander wetsvoorstel.

Dit betekent ook dat recht dat niet op deze manier tot stand komt, niet legitiem is. In een democratische rechtsstaat is recht pas legitiem als iedereen die erdoor geraakt wordt heeft kunnen meediscussiëren middels het democratische wetgevingsproces. Als dat niet kon omdat mensenrechten niet werden gerespecteerd, is het recht niet legitiem. En als niemand heeft meegedaan en het recht eigenlijk werd opgesteld door één individu in plaats van door de burgers samen, dan is het recht ook niet legitiem.

Uit dat laatste volgt dat rechters niet gauw iets zullen doen dat politiek controversieel ligt. Democratisch legitiem recht wordt door de burgers samen gemaakt. De rechter is per definitie een eenling. Bovendien mag de rechter het recht niet bedenken, maar alleen toepassen. Rechters zijn niet, zoals parlementariërs en regeringsleiders, verkozen in democratische verkiezingen om het recht mede vorm te geven. Rechters worden benoemd om op basis van juridische expertise onafhankelijk te oordelen of het recht wordt nageleefd. Zelfs al zou de rechter in kwestie persoonlijk onmiddellijk voor een voorstel stemmen, bijvoorbeeld om meer vluchtelingen op te nemen of privacy te beschermen, dan nog zal de rechter in een geschil niet zo oordelen als daar geen basis voor te vinden is in het bestaande recht.

Volgens Habermas mag een rechter slechts tegen de mening van de meerderheid ingaan als het democratische systeem zelf in gevaar is gebracht. Dat is zo wanneer de meest fundamentele rechten in het geding zijn. Met andere woorden: wanneer de private autonomie van burgers ondermijnd wordt, waardoor hun publieke autonomie bedreigd wordt, wat er dan weer toe zou leiden dat het gemeenschappelijke aspect van het democratische wetgevingsproces onder druk komt te staan. Een schending van mensenrechten is een schending van democratie, vindt Habermas, en vormt dus aanleiding voor de rechter om in te grijpen.

De vervolgvraag is natuurlijk: wanneer zijn die meest fundamentele rechten in het geding? Habermas is het met Lefort eens dat de burgers samen moeten delibereren om te bepalen wat de fundamentele rechten precies inhouden. De definitie en reikwijdte van mensenrechten worden bepaald door de burgers. De rechter moet ingrijpen als er een schending optreedt op basis van die definitie en reikwijdte. De rechter handelt dus altijd volgend en responsief: het oordeel van de rechter is altijd een echo van de deliberaties van de burgers.

De rechten van transgenders vormen een goed voorbeeld van zo’n volgende houding bij rechters. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de twintigste eeuw in verschillende zaken gesteld dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen recht inhield om van geslacht te veranderen. Daar was geen consensus over in Europa, dus het Hof vond dat het er niets over te zeggen had. Maar in 2002 ging het Hof overstag in de zaak Goodwin. Inmiddels was er duidelijk en onbetwist bewijs van een voortdurende internationale trend om transseksuelen sociaal te accepteren en bovendien juridisch te erkennen, zei het Hof. Daarom moest het Verenigd Koninkrijk Christine Goodwin tegemoetkomen, door haar nieuwe geslacht in haar paspoort weer te geven.

Ook in de eerdergenoemde rassenscheidingszaken zie je zo’n volgende houding terug. In 1896 durfde het Amerikaanse Supreme Court het nog niet aan de segregatie te doorbreken. En hoewel er in 1954 nog steeds veel voorstanders van rassenscheiding leefden in de Verenigde Staten, was de algemene opvatting zo omgeslagen dat de rechters zich vrij voelden te stellen, dat de betekenis van het ‘gelijke rechtsbescherming’ nu – eindelijk – ook zwarte mensen omvatte. Deze voorbeelden illustreren meteen een ander, bijzonder belangrijk punt, namelijk dat ‘democratisch legitiem’ niet gelijk staat aan ‘moreel goed’. De uitspraken voor rassenscheiding en tegen erkenning van transgenders zijn duidelijk immorele uitspraken. De theorie van Habermas keurt die uitspraken dan ook niet goed. Wel verklaart de theorie zulke rechterlijke uitspraken, bezien vanuit de rol van rechters binnen een democratische rechtsstaat. Moraal is tijdloos en universeel, stelt Habermas, democratisch recht is dynamisch en gebonden aan een bepaalde maatschappij.

Verschil maken

Tot zover kunnen we vaststellen dat de theorieën van Lefort en Habermas wel richting, maar geen sluitend antwoord geven op de vraag: wanneer heeft een activistisch beroep op de rechter kans van slagen in een democratische rechtsstaat als de onze? De filosofen zijn het eens dat democratische politiek een maatschappelijk proces is, waarin doorlopend wordt gediscussieerd over de inhoud van het recht. Daarbij beschrijft Habermas, meer verfijnd dan Lefort, hoe dat proces eruitziet. Rechters zullen zich in het algemeen voorzichtig opstellen. Ze willen niet rabiaat ingaan tegen de mening van de heersende meerderheid, omdat ze er niet van beschuldigd willen worden de fundamenten van de democratie te corrumperen door op eigen houtje het recht vorm te geven. Daarmee zouden ze de democratie schenden, die dicteert dat de burgers samen het recht ontwerpen.

Wie hieruit richtlijnen voor de activistenpraktijk wil afleiden, kan daarom concluderen dat de strategie ‘naar de rechter stappen’ niet op zichzelf staat. Natuurlijk, een juridische procedure starten kan een slimme stap zijn. Neem nu het aangehaalde voorbeeld van het proces tegen de SGP; het is onwaarschijnlijk dat de Stichting Clara Wichman zoveel maatschappelijke impact had gehad met andere methoden. Ook binnen de SGP kunnen vrouwen zich nu verkiesbaar stellen.

Maar vóór een activist naar de rechter stapt, is er nog een strategie. De activist kan zich ook richten op het veranderen van het maatschappelijk ethos. Met dit ethos bedoelen we overtuigingen die sterk leven in de samenleving. Deze strategie is vooral aan te raden als de tijdsgeest evident nog niet ‘klaar’ is voor een bepaalde maatschappelijke verandering. In dat geval kan het verstandig zijn voor activisten eerst te investeren in het veranderen van de algemene opinies over een bepaald onderwerp. Als, bijvoorbeeld, steeds meer mensen hun privacy als een belangrijk publiek belang gaan zien, dan wordt de kans vele malen groter dat rechters bedrijven aanpakken die ongevraagd de persoonlijke gegevens van burgers verzamelen. Om dit te bereiken kunnen activisten op allerlei manieren actievoeren: demonstreren, opiniestukken schrijven, ludieke acties bedenken of confronterende films, documentaires en kunst maken.

Dit is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Soms duurt het lang voor burgers van een democratische gemeenschap zich druk maken over een bepaald thema, hoewel activisten er al decennia mee bezig zijn. Toch laat de recente geschiedenis zien dat strijden voor je rechten succesvol kan zijn: in de vorige eeuw verbeterde de juridische positie van vrouwen, homoseksuelen en minderheden aanzienlijk. Een recente performance van de groep 1000 Gestalten tijdens de afgelopen G20 verbeeldde precies deze kracht van activisme. De kunstgroep liet duizend acteurs als zombies door de stad lopen, met hun huid en kleding volledig grijs geschilderd – tot een zombie zijn asgrauwe kleding afwierp en de anderen inspireerde hetzelfde te doen. Dit schouwspel moest symboliseren dat individuen wel degelijk een verschil kunnen maken.

De twee strategieën hebben dus duidelijk een ander karakter, maar – om het nog even iets ingewikkelder te maken – ook naar de rechter stappen kan als doel hebben het maatschappelijk ethos te beïnvloeden. Zo startte Stichting Urgenda haar procedure tegen de Nederlandse Staat vooral om aandacht te creëren voor de gevaren van klimaatverandering. De Stichting had niet verwacht de zaak te winnen. Zelfs advocaat Roger Cox, die jaren van zijn leven besteedde aan het juridische betoog, was stomverbaasd over de uitspraak. Dit maakt de Urgenda-zaak een interessante combinatie van de twee beschikbare strategieën voor de activist. Aan de ene kant was het een onverwacht succesvolle juridische procedure, aan de andere kant heeft de stichting het maatschappelijk ethos veranderd. Het voert te ver hier diep in te gaan op de juridisch-technische details van deze uitspraak, maar – conform de theorieën van Lefort en Habermas – mensenrechten speelden inderdaad een rol in de redenering. Kort geschetst werden de fundamentele rechten op ‘leven’ en ‘een privéleven’ op een nogal gecompliceerde (en controversiële) wijze gebruikt, met als doel de belangen van toekomstige generaties veilig te stellen. De rechtbank nam met deze beslissing een risico en heeft veel kritiek ontvangen: de Urgenda-uitspraak zou veel te veel inmenging hebben betekend in de democratie. De Nederlandse Staat is dan ook in hoger beroep gegaan. De Staat kan zich wel vinden in de nieuwe, iets ambitieuzere klimaatdoelen, maar is erg geschrokken van zoveel bemoeienis van de rechter in het democratisch besluitvormingsproces. De rechtbank is op de stoel van de politiek gaan zitten, vindt de Staat. Het is daarom afwachten of de uitspraak overeind blijft bij het Hof.

Maar mocht het Hof besluiten dat de klimaatdoelstellingen van een democratisch land niet het terrein van de rechter zijn, dan is de Urgenda-zaak nog steeds een geslaagde poging geweest om het maatschappelijk ethos te veranderen. De uitspraak heeft vanuit de hele wereld media-aandacht gekregen en het tegenvallende Nederlandse klimaatbeleid is breed uitgemeten in het publieke debat. De klimaatdoelen zijn inmiddels al naar boven toe bijgesteld en de kans is zeer klein dat dit weer ongedaan gemaakt wordt. Dit laat zien dat zelfs als het vrijwel onmogelijk lijkt om een zaak te winnen, de activist het soms toch kan proberen. Als zij verliest, mag zij zich rijk rekenen met de gegenereerde media-aandacht voor haar argumenten, die misschien het maatschappelijk ethos ten goede zullen beïnvloeden. Zo kan langzaamaan de basis worden gelegd voor nieuwe fundamenten waarop rechters andere interpretaties van het recht kunnen bouwen.

Milieubelangen

Tot nu schetst dit artikel een behoorlijk rooskleurig beeld van de handvatten die het recht biedt aan activisten om hun doelen te bereiken. De praktijk is echter vaak weerbarstig. Als een thema nauwelijks speelt of als het bestaande recht relatief eenduidig is over de wijzen waarop bepaalde rechten of personen beschermd moeten worden, dan is het knap lastig dat te veranderen en soms zelfs nagenoeg onmogelijk.

Daarbij is het van belang te onderstrepen dat het recht in democratische rechtsstaten sterk ‘antropocentrisch’ is. Dit betekent dat het recht focust op menselijke belangen – anthropos is het Griekse woord voor mens. Dat geldt ook voor de mensenrechten van Lefort en Habermas: zij zijn evident alleen belangrijk in de discussies van burgers (en rechters) over de rechten van…mensen!
Dit is een problematische beperking, zeker omdat op onze aardbol veel niet-menselijke belangen op het spel staan. Die niet-menselijke belangen worden niet beschermd door de meest fundamentele rechten voor mensen. Natuurlijk, mensen- en natuurbelangen gaan vaak een flink stuk gelijk op (lekker als het meertje schoon is, dan kunnen wij, de vogels en de vissen erin zwemmen), maar de natuur heeft vaak verderstrekkende belangen (lekker als er geen mensen in het meertje zwemmen, dan kunnen watervogels er rustig broeden en durven reeën er te drinken). Door de antropocentrische inslag van onze democratische rechtsstaat vallen die verderstrekkende belangen vaak buiten de boot.

Steeds prangender vragen zijn daarom of het recht zo kan worden opengebroken dat ook de intrinsieke belangen van de natuur bescherming krijgen en hoe we kunnen vaststellen wat die belangen dan behelzen. Elders op de wereld worden al voorzichtige stappen genomen. Zo is in Nieuw-Zeeland in maart 2017 een wet afgekondigd die de rivier de Whanganui als rechtspersoon erkent, waardoor de belangen van de rivier nu afzonderlijk kunnen worden meegewogen door rechters. Enkele dagen later bepaalden rechters in India dat daar twee rivieren rechtspersoonlijkheid moeten hebben – hoewel het Indiase Supreme Court deze uitspraak inmiddels heeft bevroren tot nader order. Eerder had in India het Himalayagebergte al rechtspersoonlijkheid gekregen. De belangen van deze rivieren en bergen worden vertegenwoordigd door speciaal daartoe aangewezen stichtingen.

Kritische lezers van de rechtelijke uitspraken zal echter opvallen dat ze toch gestoeld zijn op menselijke belangen, voortvloeiend uit religieuze overwegingen: omdat de rivieren als godheden aanbeden worden door mensen verdienen ze intrinsieke bescherming. Wat dat betreft zette Bolivia een radicaler stap: daar geldt sinds 2010 namelijk de Ley de Derechos de la Madre Tierra – de Wet van de Rechten van Moeder Aarde. In die wet wordt Moeder Aarde erkend als een rechtspersoon met eigen intrinsieke belangen en rechten. Deze wet geeft Boliviaanse rechters meer speelruimte om milieubelangen te beschermen dan hun collega’s in bijvoorbeeld Nederland hebben. Binnen ons huidige rechtssysteem zijn menselijke belangen leidend en kunnen rechters alleen revolutionaire uitspraken doen als ze hard kunnen maken, op basis van een breed gedragen opinie, dat ze daarmee de meest fundamentele rechten in onze rechtsstaat beschermen, rechten die bij ons nog altijd zijn gestoeld op menselijke belangen.

Niettemin luidt de leidraad voor activisten die succes willen oogsten met een juridische procedure als volgt: probeer eerst het maatschappelijk ethos, zoveel mogelijk, in je voordeel te beïnvloeden, want daarmee vergroot je de kans op winnen. Maar mocht je een zaak aanspannen en verliezen, wees niet getreurd, want de zaak zélf kan van grote invloed zijn op dat maatschappelijk ethos en de kansen van succes in een volgende zaak vergroten. Alles dat bijdraagt aan het ondenkbare denkbaar te maken, is een stap in de richting van verandering.